Varen

De plassen en rivieren rond de doorwaadbare plaats zijn ’s zomers goed voor veel waterplezier. De drie rivieren, waarover later meer, zijn de IJssel, de Vecht en het Zwarte Water. Verder zijn er grachten van de binnenstad, de plassen in de buurt, veelal zandafgravingen voor de nieuwbouw van de uitdijende stad, maar verder weg ook de zogenaamde ‘wiedes’, Beulakerwiede en Belterwiede. Al dat water is ideaal voor pleziervaart, surfen, zeilen, kanoën, zwemmen.

Het eerste varen op die wateren was met jeugdvriendje P. Hij woonde een flat verder, en vanuit het zijraam van ons huis kon ik het balkon zien van zijn huis. Hij zat op dezelfde lagere school, en we speelden van jongs af aan in de zandbak. Zijn ouders hadden een boot van een meter of zeven lang, niet genoeg om lang mee op het water te vertoeven want geen kooien, maar wel een kleine kajuit om een nachtje in te slapen en een plek om wat eten te maken op een butagasfles. Een paar zomers lang, in de middelste jaren van de lagere school, mocht ik af en toe een weekend of een dag mee. Ik herinner mij weinig van het varen zelf, maar op het moment dat we in een van de grotere kolken langs het zwarte water voor anker gingen, terwijl de zon naar de horizon daalde, haalden we onze hengel tevoorschijn en op de aanlegsteiger hingen we onze bamboehengel boven het water en keken naar de dobber. Een zomer zaten we met onze hengel en op een gegeven moment merkten we dat we kleine voorntjes zonder aas kon vangen. Gewoon visdraad met haak en dobber in het water hangen en binnen enkele minuten had een vis zich vastgebeten. Van dat varen is dat eigenlijk het enige wat ik mij herinner. Warme avonden moeten het zijn geweest, maar daar herinner ik mij ook weinig van.

Op de middelbare school kwam het varen (het surfen niet meegerekend) terug in de vorm van punteren en kanoën. In de buurt van de doorwaadbare plaats is er een plek bij uitstek waar beide vaarmogelijkheden uitermate goed kunnen: de Belter- en Beulakerwiede. Destijds had ik een vriendenkring met kinderen van allerhande scholen: Atheneum, havo, mavo, lbo. Een goed gezelschap van mensen die van spelletjes hielden (old skool, zoals kaarten en bordspellen) en met de avonden veelal voorbij gingen met bier en spa met een sterke borrel erin. De groep, met daarin een broer en zus, een tweeling, een geadopteerde Molukker, en een spijker, een jongen zo iel dat je twee keer moest kijken om hem te zien als hij stil stond. Met hen was ik vaak samen. Weekenden, of avonden als bij een van ons de ouders niet thuis waren.

Een van de ouders van het gezelschap was in het bezit van een stacaravan die ergens in de jachthavens tussen Zwartsluis en Giethoorn stond. We waren daar niet zo vaak, maar als, dan in de zomer en als, dan werden spelletjes gespeeld. En gekanood. Ik moet zeggen, ik heb geen prettige herinneringen aan stacaravans in combinatie met jachthavens. Ik zal nog eens uitzoeken waarom. Instinctief zeg ik: mensen op boten zijn niet zo schoon. Ze douchen zich minder, en als ze zich wassen, dan is het in het vervuilde water van een kanaal, rivier of meer. Kleine bootjes in jachthavens zijn ook nog eens ‘sneu’. Ja, sneu. Zeker een kano is sneu. Een kano is geen boot. Het is een te smalle kuip waar je niet kunt relaxen. Dat zal het zijn. En op die wiedes bij Giethoorn: het water was ondiep dus als je kano omsloeg, stond je met je voeten in de modder.

Beter in kwaliteit en daarmee mijn herinnering was het varen toen mijn leven in de doorwaadbare plaats naar een einde neigde en ik mijn geboortestad verliet. Toen was ik menige dag in de week te vinden in de middeleeuwse binnenstad. Die wordt omsloten door een gracht, en zelfs doorsneden door een gracht. Kijk je op een land kaart, dan heeft de gracht de vorm van een BB-8 avant la lettre. Rond met een dwarsgracht. In die dwarsgracht lag sinds begin jaren 80 een rondvaartboot. Een platte schuit, een praam. Achter een lichte motor, geen opbouw op de boot, want de bruggen over de grachten zijn uiterst laag. Ding van niks, nauwelijks charme, geen flitsende bedoening. Maar waar niks alles is wat er is, is iets wat er is, alles. De praam werd door mijn oudste neef gevaren. En als hij het ok vond, voer ik de schuit door de grachten en vertelde over de geschiedenis van de stad. De ontstaansgeschiedenis van die doorwaadbare plek in de IJssel, de rivieren die de stad omcirkelen, de restanten van de stadsmuren, de moderne devotie, de geschiedenis als Hanzestad, de herkomst van de naam Blauwvingers, het verdedigingswerk, de oude gasfabriek op een van de bolwerken die al lang weg was, de laatste stadspoort De Sassenpoort, de brede brug waarover ooit een snelweg door de stad zou worden aangelegd, ik had verhalen genoeg.

Ik was ook vaak aan de kade van de rondvaartboot te vinden als mijn neef gewoon moest werken. Op een van die namiddagen zat ik op de kant, en keek naar de mensen die een tochtje wilden maken. Even tussen neus en lippen door: ik was toen net 18 geworden en mijn eerste verkering liep op zijn einde, maar dat wist ik nog niet. Hoewel… Ik wilde het niet weten. Het is hindsight, want wat die dag gebeurde, was een teken aan de relatiewand. Ik zat daar dus weer eens (en niet bij mijn vriendinnetje), mijn neef stond op het punt de praam door de grachten te varen, en terwijl ik de vaargasten in mij opnam, bleef mijn blik hangen op een oudere, stijlvolle dame die richting rondvaartboot kwam gelopen en naast haar zweefde een van de mooiste meisjes die ik tot dan toe had gezien in mijn leven. Zo gracieus, zo verfijnd. Ik keek naar haar, we lachten elkaar aan, en ik voelde bijna schaamte dat ik me liet toelachen, en erger, dat ik terug lachte. Nu weet ik: dat was weltschmerz, spleen, pre-liefdesverdriet en niet kunnen krijgen wat je op dat moment zou willen hebben. Op dat moment wist ik dat ik haar zou willen spreken, zou willen ruiken en misschien zelfs proeven. Ik keek naar mijn hand en zag daar een vriendschapsring die ik een jaar eerder had gekocht – omdat het zo hoorde, weet ik nu – voor mijn verkering en mij. Ik keek van het mooie meisje naar die ring en spijt borrelde sluipend als giftig gal omhoog. Ik wist op dat moment – ik was zeventien a achttien jaar oud – niet dat het spijt was. Maar dat was het. Spijt van het feit dat ik verbonden was aan een vriendin, verkering, die ik niet meer liefhad. Een meisje die ik had gehad om te achterhalen waar het mannetje-vrouwtje-verhaal omdraaide. Ik kreeg natuurlijk meer van en met die eerste vriendin, maar feitelijk was het na het tongzoenen, het vingeren in de gang, het pijpen en beffen en neuken – met klaarkomen op haar weelderige schaamhaar, waarover in ander verhaal meer – het grote willen en verlangen wel weg. Het moet gezegd: ik heb nog wel met veel plezier een tijd lang dat neuken volgehouden. Dat ‘bij een vrouw blijven’ was niet uniek voor haar, ik ben bij menig vrouw / vriendin / relatie gebleven omdat ik zo van seks hield en ik te lui was een nieuwe vrouw te zoeken.

Van al die dagen op de praam in de stadsgracht van mijn geboortestad is die lome, voorzomerse avond in april eerste helft jaren 80 mij het meest bij gebleven. Ik denk nu nog steeds dat het moment aan de gracht, dat ik besefte niet vrij te zijn als de wereld daar wel de ruimte voor vroeg, mij tot in de diepste vezels heeft gevormd.

Eén vrouw voor altijd? En niet mogen kijken of verlangen naar een tweede of derde? Nooit meer flirten en opgewonden raken door andere borsten of billen, of een andere kleur ogen of haar? Nee. Dat was eens maar nooit weer. Ik vaar mijn eigen koers, niet de koers van de goegemeente.

Als ik al vaar. Ik ben liever op de kant en kijk naar bootjes op de rivier. Of maak mijn eigen bootje van hout of papier. Heerlijk. Maar mijn verlangen om steeds op de scheiding van land en water – en als ik water zeg dan bedoel ik toch vooral zee – te zijn, zoals in Schotland, op eilanden, in Italië, Japan, is niet voor niets.

Maar ik blijf op het liefst op het land. Wel land dat aan water grenst. Niet in de bergen bij een lullig bergbeekje.

En varen? Varen is een manier om van land naar land te gaan. Varen is een middel voor een doel. Voor mij geen dobberen op het water. Ik zie liever de schepen voorbij gaan. En als het moet: ik verbrand liever schepen achter mij.

Advertenties