Regenen

Zou het zo zijn dat iedereen uit zijn jeugd een dag weet die zo extreem zonnig was dat alle andere dagen daarbij verbleekten?

Of een dag waarop het zo hard waaide, dat je met geen mogelijkheid een dag kunt noemen dat het harder waaide.

Een sneeuwbui herinneren die de moeder was van alle sneeuwbuien.

Ik heb misschien niet voor elk weertype een dergelijke dag voorhanden, maar ik weet de dag dat ik voor het eerst meehuilde met de regen nog precies waar ik was. De dag begon in mineur, en eindigde in een mineur met een septiem. Het was een dag met de warme regen van het voorjaar.

Ik was een jaar of 15, en niet voor het eerst die jaren fietste ik weg van mijn ouderlijke huis omdat het ik het daar ‘niet kon vinden’. Het was niet slecht thuis, geen slecht thuis, maar het is lastig als je op jonge leeftijd meer kan dan je omgeving in de gaten heeft. Meer kan dan je omgeving kan.

En als je rondloopt met een stoornis die manisch-depressiviteit wordt genoemd, en die voor mij vooral betekent dat gedachten als een Razende Roeland door mijn brein rennen, zonder ophouden, dat ik op de ergste momenten nauwelijks meer slaap, dat ik vol energie ben en mijn eieren ergens kwijt moet (dat gebeurde in mijn 16e en 17e levensjaar sowieso veel: eigen bandje, basketbal, ik begon aan mijn dagboek, ik zocht en vond verkering), en dat onbegrepen en uit het niets komende gedachten vol duisternis en soms vol ongebreidelde energie die niets en niemand tegenhoudt onderdeel van elke dag zijn, dan is nergens een plek om te zijn. En dan te bedenken dat ik een vrolijk mens ben, dat ik van zintuiglijke verwennerij. Ik snapte en snap dus niet waarom mijn geest af en toe sprongen in het duister maakt.

Zo was het ook die vijfde april van die lente van mijn jeugd. Ik fietste van huis weg, en eerlijk gezegd, ik fietste weg zonder te weten waarheen. Ik weet alleen ik dat ik vluchtte voor de regen van mijn geest. Ik fietste en fietste,  zonder dat ik echt een idee had waar ik heen fietste. Een lange straat in, aan het einde rechts, de volgende weer links. Enzovoort en zo verder. Ik kwam uit in dorpjes als Laag Zuthem en Wythem, niet meer dan gehuchten onder de rook van de doorwaadbare plaats. De bomen hadden inmiddels meer dan een wazig groen aan de bomen en struiken, de wereld was weer uit de winterslaap ontwaakt, maar van die verfrissende versheid merkte ik weinig.

Wat het was? Voor het eerst leek ik los te staan van de wereld. Alsof ik rondreed in de omgeving van de doorwaadbare plaats, maar dan in mijn hoofd, en in cirkels. Terwijl mijn lichaam wel degelijk van A naar B naar C ging. Ik stond bij een kerk in een van die dorpjes en besefte toen voor het eerst: ik moet weg uit mijn geboortestad. Daar ga ik nooit gelukkig worden. En ik zal weggaan.

Het klinkt misschien wat overdreven, maar ik kan dus een dag, een moment beter gezegd, aanwijzen in mijn jeugd dat de tranen over mijn wangen bungelden zonder dat ik goed wist waarom. Een triestheid die niet van buiten kwam, zoveel had ik wel door. Het regende dan weliswaar, maar het was lente. Het was geen triestheid door pijnlijke of verdrietige ervaringen. Een dag dat ik wist: ik zal altijd onderweg zijn.

Ik liep er niet mee te koop, ik was en ben geen aandachttrekker als het gaat om dat soort kwesties.

Maar ik wist onderbewust: Nieuwe lente? Nieuw verdriet? Tijd voor een nieuw geluid. 

Het was vroeg in april, en ik had de onbedwingbare behoefte om te huilen. De behoefte om ongeremd, zonder schaamte, het hele verdriet, onbegrepen en ongewenst, naar buiten te gooien. Het was erger: ik had de behoefte om uit het leven stappen als 15-jarige. Nu weet ik wat er loos is, en daardoor kan ik juist genieten van al het moois van deze wereld. Nu weet ik dat mijn hersens niet zijn zoals het hoort. Nu weet ik hoe belangrijk het is te genieten van goed eten, kunsten, reizen, vrienden, van expressie.

Destijds fietste ik dus zonder doel en in de loop van die dag viel een ‘sluiperige’ regen uit de hemel. Sluiperige regen is een soort motregen. Het lijkt niets, die regen, maar de druppels komen uit lichtgrijze wolken. De druppels vormen onderbroken dunne stalen draden die als een tralies voor de werkelijkheid staan, wat die werkelijkheid ook is.

Daar, in de regen en in een dorp onder de rook van een groter dorp, vond een transitie plaats. De overgang van totale onschuld naar totaal onbegrepen verdriet. Zoals ik het nu voel: een overgang zonder aanleiding of zonder context. Het is misschien spijtig om te moeten concluderen, maar een thuis als dat van mij had geen enkel benul van mijn dagelijks ontsporende hersenen. Ik kon dan ook nergens dat ontsporen kwijt. Ja, een beetje in mijn bandje, mijn sport, mijn dagboek en in de schoolvakken waar ik in de jaren na deze dag in de regen me volledig op stortte om er voor te zorgen dat ik die streek kon verlaten, maar het probleem was nog groter dan slechts een huilen. Het ontsporen was van een gekmakende snelheid en psychoticiteit.

Het was het huilen van de geest. Een eenzaamheid van het brein die niet door andere mensen kon worden gevuld, enkel en alleen door mij. Het buiten wandelen was een eerste stap. Maar ik had een lange weg te gaan. Nog jaren bleef ik dikke druppels huilen. Ik heb een beetje geleerd de verdrietige momenten een plek te geven. Ik heb een heel klein beetje de razende gedachten om te zetten in iets creatiefs of cognitiefs.

Feit is wel: het eerste grote verdriet blijft je bij. Net als de eerste grote liefde.

Maakt de doorwaadbare plaats dan triest? Ja. Al helpt het aanleg voor verdriet te hebben, en een aanleg voor andere werelden zien, en om te genieten van wat in die werelden met alle zintuigen is, en hoe dat op gespannen voet staat met het leven in de doorwaadbare plaats, die nauwelijks veranderde.

Dan nog, of juist dan, weet iemand zoals ik, gezegend met een goede analytische geest:

Ik ben hier geboren maar ik moet hier weg. Dit is niet mijn thuis, hier is niet de vrijheid van denken en doen die ik nodig heb. Deze plek roept steeds weer verdriet op. Het regent hier harder dan elders op de wereld.

Ik vond geen zuurstof in de stad daar aan de rivier. Ik vond geen plek om door te ademen. Zelfs niet als het schreien (uiteindelijk) tijdelijk stopte.

Erger:

Mijn ziel had meer tranen te vergieten dan mijn ogen voorradig hadden.

Dat wist ik nog niet.

Pas jaren later kon ik zeggen: dat is dan maar zo.

Maar op dat moment was ik daar nog niet aan gewend, daar in de dorpjes rond de doorwaadbare plaats. Op dat moment wist ik nog niet eens dat ik zo ben. Op dat moment verwaterde de regen met mijn huilen en andersom.

 

Advertenties

Stromen

Stille wateren hebben diepe gronden.

Rivieren kun je maar één keer oversteken.

Filosofische bespiegelingen in gezegden die vooral leuk zijn om over na te denken en om je gedachten te vormen.

Bij een rivier gaat het uiteindelijk om nog veel meer. Het gaat om meditatie. Om zen. Om het verdwaald raken in de gedachten die de golfjes en de draaikolkjes in de rivier oproepen. Om in die golfjes de relativiteit van het bestaan te ondergaan.

De eerste beekjes van mijn jeugdherinneringen zijn niet eens stromen in de buurt van de doorwaadbare plaats. Nee, ik ging met mijn ouders en broer naar Gerlos, in de alpen van Oostenrijk. Niet ver van het Zillertal betrokken wij twee jaar op rij een pension en beklommen de bergen rondom. Ik herinner mij van die twee zomers weinig meer dan dammetjes bouwen in de beekjes rond Gerlos. Ik moet zeggen, een goede herinnering. Ik bouw nog steeds graag dammetjes.

Hoe oud was ik toen? Jaar of 8. Ik moet ook een jaar of 8 geweest zijn dat ik voor het eerst de stromen van mijn geboortegrond actief ging onderzoeken. Wij woonden destijds aan de rand van de stad, en ik was met een paar minuten lopen of fietsen in de weilanden en polders. Die werden ingesloten door drie stromende wateren: De Vecht, De IJssel, en Het Zwarte Water. Ik heb nog steeds een zwak voor die omgeving. De dijken zijn de enige verhoging in de wijde omgeving. En die omgeving is zeer wijd. Maar nog mooier dan die weidsheid van het land is de haast onbeperkte hemel. Als je op een dijk staat, en je kijkt 360 graden om je heen, dan zal onherroepelijk opvallen dat het land maar een 1/6 deel van je blikveld is. Meer dan land is het de lucht, de hemel die je ziet.

Niet dat ik dat toen al zag, want als 8-jarige was ik bezig met het struinen door de weilanden (ook in de winter; zie Waterrest). Ik moest letten op koeien en stieren in de weilanden, en tussen die weilanden lagen sloten. Aangezien wij niet deden aan poolstokken, was het zaak met sprongen over de sloten te komen. Slootje springen was niet iets wat we alleen deden in de zomer. In de herfst, in de winter, in de lente, in weekenden en vakanties.

Dat springen over stromende wateren was voorbehouden aan sloten. Beken als de Aa waren te breed, en de rivieren waren al helemaal niet geschikt om overheen te springen.

Die rivieren namen sowieso een aparte en parate positie in. Anders dan sloten die eens in de zoveel tijd uitdroogden, of bevroren, waren de rivieren nooit anders dan rivieren. Ik heb in mijn leven niet meegemaakt dat de rivier zo dicht gevroren was dat je van de ene oever naar de andere oever kon lopen en kon schaatsen. De rivier, dat betekende stromen. Steeds weer een nieuwe golf, een bergje water, draaikolkjes die bij de kribben verschenen en zo snel ze kwamen weer verdwenen.

Eigenlijk heb ik het dan over de IJssel. Dat is met recht een rivier. Het is min of meer ook het water waaraan de doorwaadbare plaats ontstaan is, waar een nederzetting ontstond die later mijn geboorteplek zou zijn. De plek, die hoger is dan destijds het moerassige landschap tussen de drie rivieren van IJssel – Vecht – Zwarte water, was ideaal voor een nederzetting. Al 1000-en jaren voor de plek in de annalen en oorkondes werd bijgeschreven (onder andere vanwege stadsrechten en vermeldingen van kloosters en kerken) woonden hier mensen. Niet alleen om die verhoogde plek in het moeras, voor mij een symbolische aanduiding van mijzelf, maar ook vanwege de rivier zelf: het aan en afvoeren van goederen naar andere (hanze)steden in de buurt, maar ook naar Noordzee en Oostzee via Zuiderzee.

De IJssel slingert traag door het lage land van polders, vlak langs de Veluwe die de IJssel noordwaarts geleidt. Om van de stad naar de overkant van de rivier te komen is er sinds lange tijd een brug. De weg Zwolle uit, westwaarts, was tot ver in de jaren 60, dus toen ik al geboren was, over die Katerveerbrug. Over de rivier. Over die brug kon ik bij mijn Nederlandse opa en oma komen. In de loop van mijn leven werd de A28 geopend en daarmee verdween de drukte en de verkeersdruk. Vanaf dat moment kon ik ook fietsen en fietste ik veel keren over de dijk naar het noorden, zoals naar Zalk (de westelijke dijk), of langs het Engelse werk (naar het zuiden, oostelijke dijk). In de zomer een prettige bezigheid, in de herfst en winter was het op de dijk onguur, omdat het omliggende land enorm plat is, en je leek steeds wind tegen te hebben. Heen en terug.

De rust die het fietsen over de slingerende dijk gaf, was fenomenaal. De eenzaamheid, de verre en weidse blikken, en vooral ook het vertrek uit dat sudderende, archaïsche dorp.

Het laatste jaar dat ik vaak op de dijk te vinden was, was toen ik in een Hanzestad ten zuiden van de doorwaadbare plaats ging studeren. Ik nam, toen ik nog niet op kamers woonde, meestal de bus naar die andere Hanzestad en die bus reed voor een deel over de dijk. Maar die rivier bleef, met de uiterwaarden en de dijken, een rustpunt.

Het gekke is: de andere twee stromende wateren, Vecht en Zwarte water, heb ik in mijn jeugd wel gezien, maar ik was nooit met plezier daar. Zou het zijn omdat V en ZW kleinere rivieren zijn, of kwam ik daar minder omdat in die buurt geen vrienden woonden, of familie?

De Vecht was een onbekende rivier en vaak een plek om heen te fietsen als ik vol verdriet en onbegrip zat. Als ik weer eens niets van mijzelf snapte, of als mijn ouders weer eens veel met zichzelf bezig waren en met vrienden, en ik mij volslagen onbegrepen voelde (zie ook het verhaal Regenen). Twee keer ben ik in mijn jeugd bij die rivier geweest, beide keren op weg naar Ommen om daar op een camping te staan. Verder zal ik vaker moeten zijn geweest, maar die tijd lijkt bewust gaten te hebben achtergelaten in de herinnering.

Het zwarte water is mij zelfs geen rivier, maar een verbindingswater. Een die de doorwaadbare plaats en de Vecht met het IJsselmeer verbindt.

Misschien meer op afstand, omdat ze feitelijk niet in de buurt van mijn geboortestek liggen, zijn rivieren in Duitsland. In de jaren dat ik in het Sauerland op vakantie ging, zijn watertjes als Sieg, Eder en Lahn erg bepalend geweest. Veel van mijn vakantieherinneringen spelen zich af in de buurt van die riviertjes (zoals o.a. het stuwmeer Edersee en de bronnen van die riviertjes).

De belangrijkste van die Duitse rivieren is wel de Rijn bij Frankfurt. Mijn familie komt uit die omgeving, ten oosten van de rivier en ten zuiden van de stad. Eigenlijk kwamen wij elk jaar wel aan de Rijn, en dan meestal in Nierstein, een dorp waar elk jaar begin augustus het Winzerfest wordt gehouden. Een feest in het dorp en op de kades langs de Rijn. Eten, drinken, vertier, en altijd met goed weer. En dan de Rijn, de rustige rivier, kalm kabbelend langs de kade.

En misschien het beste van de Rijn bij Nierstein: het pontje! De bruggen over de Rijn zijn daar niet in de buurt. Naar het noorden bij Mainz, 20 kilometer verderop. Naar het zuiden bij Worms, 30 kilometer verderop. Om van het Ried (waar mijn oma woonde) over de Rijn te komen, nam mijn vader het pontje. Wat een feest! Met de auto de pont op, een man die met zijn kaartjesmachine voor de buik bij de auto kwam, twee minuten varen: de herinnering is nog mooier de werkelijkheid ooit kan zijn geweest.

Rivierstromen. Ze zijn geen grenzen maar overbrugbare wateren. Wateren die eveneens het vermogen hebben je weg te voeren naar andere streken.

Stromen die je zen maken.