Regenen

Zou het zo zijn dat iedereen uit zijn jeugd een dag weet die zo extreem zonnig was dat alle andere dagen daarbij verbleekten?

Of een dag waarop het zo hard waaide, dat je met geen mogelijkheid een dag kunt noemen dat het harder waaide.

Een sneeuwbui herinneren die de moeder was van alle sneeuwbuien.

Ik heb misschien niet voor elk weertype een dergelijke dag voorhanden, maar ik weet de dag dat ik voor het eerst meehuilde met de regen nog precies waar ik was. De dag begon in mineur, en eindigde in een mineur met een septiem. Het was een dag met de warme regen van het voorjaar.

Ik was een jaar of 15, en niet voor het eerst die jaren fietste ik weg van mijn ouderlijke huis omdat het ik het daar ‘niet kon vinden’. Het was niet slecht thuis, geen slecht thuis, maar het is lastig als je op jonge leeftijd meer kan dan je omgeving in de gaten heeft. Meer kan dan je omgeving kan.

En als je rondloopt met een stoornis die manisch-depressiviteit wordt genoemd, en die voor mij vooral betekent dat gedachten als een Razende Roeland door mijn brein rennen, zonder ophouden, dat ik op de ergste momenten nauwelijks meer slaap, dat ik vol energie ben en mijn eieren ergens kwijt moet (dat gebeurde in mijn 16e en 17e levensjaar sowieso veel: eigen bandje, basketbal, ik begon aan mijn dagboek, ik zocht en vond verkering), en dat onbegrepen en uit het niets komende gedachten vol duisternis en soms vol ongebreidelde energie die niets en niemand tegenhoudt onderdeel van elke dag zijn, dan is nergens een plek om te zijn. En dan te bedenken dat ik een vrolijk mens ben, dat ik van zintuiglijke verwennerij. Ik snapte en snap dus niet waarom mijn geest af en toe sprongen in het duister maakt.

Zo was het ook die vijfde april van die lente van mijn jeugd. Ik fietste van huis weg, en eerlijk gezegd, ik fietste weg zonder te weten waarheen. Ik weet alleen ik dat ik vluchtte voor de regen van mijn geest. Ik fietste en fietste,  zonder dat ik echt een idee had waar ik heen fietste. Een lange straat in, aan het einde rechts, de volgende weer links. Enzovoort en zo verder. Ik kwam uit in dorpjes als Laag Zuthem en Wythem, niet meer dan gehuchten onder de rook van de doorwaadbare plaats. De bomen hadden inmiddels meer dan een wazig groen aan de bomen en struiken, de wereld was weer uit de winterslaap ontwaakt, maar van die verfrissende versheid merkte ik weinig.

Wat het was? Voor het eerst leek ik los te staan van de wereld. Alsof ik rondreed in de omgeving van de doorwaadbare plaats, maar dan in mijn hoofd, en in cirkels. Terwijl mijn lichaam wel degelijk van A naar B naar C ging. Ik stond bij een kerk in een van die dorpjes en besefte toen voor het eerst: ik moet weg uit mijn geboortestad. Daar ga ik nooit gelukkig worden. En ik zal weggaan.

Het klinkt misschien wat overdreven, maar ik kan dus een dag, een moment beter gezegd, aanwijzen in mijn jeugd dat de tranen over mijn wangen bungelden zonder dat ik goed wist waarom. Een triestheid die niet van buiten kwam, zoveel had ik wel door. Het regende dan weliswaar, maar het was lente. Het was geen triestheid door pijnlijke of verdrietige ervaringen. Een dag dat ik wist: ik zal altijd onderweg zijn.

Ik liep er niet mee te koop, ik was en ben geen aandachttrekker als het gaat om dat soort kwesties.

Maar ik wist onderbewust: Nieuwe lente? Nieuw verdriet? Tijd voor een nieuw geluid. 

Het was vroeg in april, en ik had de onbedwingbare behoefte om te huilen. De behoefte om ongeremd, zonder schaamte, het hele verdriet, onbegrepen en ongewenst, naar buiten te gooien. Het was erger: ik had de behoefte om uit het leven stappen als 15-jarige. Nu weet ik wat er loos is, en daardoor kan ik juist genieten van al het moois van deze wereld. Nu weet ik dat mijn hersens niet zijn zoals het hoort. Nu weet ik hoe belangrijk het is te genieten van goed eten, kunsten, reizen, vrienden, van expressie.

Destijds fietste ik dus zonder doel en in de loop van die dag viel een ‘sluiperige’ regen uit de hemel. Sluiperige regen is een soort motregen. Het lijkt niets, die regen, maar de druppels komen uit lichtgrijze wolken. De druppels vormen onderbroken dunne stalen draden die als een tralies voor de werkelijkheid staan, wat die werkelijkheid ook is.

Daar, in de regen en in een dorp onder de rook van een groter dorp, vond een transitie plaats. De overgang van totale onschuld naar totaal onbegrepen verdriet. Zoals ik het nu voel: een overgang zonder aanleiding of zonder context. Het is misschien spijtig om te moeten concluderen, maar een thuis als dat van mij had geen enkel benul van mijn dagelijks ontsporende hersenen. Ik kon dan ook nergens dat ontsporen kwijt. Ja, een beetje in mijn bandje, mijn sport, mijn dagboek en in de schoolvakken waar ik in de jaren na deze dag in de regen me volledig op stortte om er voor te zorgen dat ik die streek kon verlaten, maar het probleem was nog groter dan slechts een huilen. Het ontsporen was van een gekmakende snelheid en psychoticiteit.

Het was het huilen van de geest. Een eenzaamheid van het brein die niet door andere mensen kon worden gevuld, enkel en alleen door mij. Het buiten wandelen was een eerste stap. Maar ik had een lange weg te gaan. Nog jaren bleef ik dikke druppels huilen. Ik heb een beetje geleerd de verdrietige momenten een plek te geven. Ik heb een heel klein beetje de razende gedachten om te zetten in iets creatiefs of cognitiefs.

Feit is wel: het eerste grote verdriet blijft je bij. Net als de eerste grote liefde.

Maakt de doorwaadbare plaats dan triest? Ja. Al helpt het aanleg voor verdriet te hebben, en een aanleg voor andere werelden zien, en om te genieten van wat in die werelden met alle zintuigen is, en hoe dat op gespannen voet staat met het leven in de doorwaadbare plaats, die nauwelijks veranderde.

Dan nog, of juist dan, weet iemand zoals ik, gezegend met een goede analytische geest:

Ik ben hier geboren maar ik moet hier weg. Dit is niet mijn thuis, hier is niet de vrijheid van denken en doen die ik nodig heb. Deze plek roept steeds weer verdriet op. Het regent hier harder dan elders op de wereld.

Ik vond geen zuurstof in de stad daar aan de rivier. Ik vond geen plek om door te ademen. Zelfs niet als het schreien (uiteindelijk) tijdelijk stopte.

Erger:

Mijn ziel had meer tranen te vergieten dan mijn ogen voorradig hadden.

Dat wist ik nog niet.

Pas jaren later kon ik zeggen: dat is dan maar zo.

Maar op dat moment was ik daar nog niet aan gewend, daar in de dorpjes rond de doorwaadbare plaats. Op dat moment wist ik nog niet eens dat ik zo ben. Op dat moment verwaterde de regen met mijn huilen en andersom.

 

Advertenties

Stromen

Stille wateren hebben diepe gronden.

Rivieren kun je maar één keer oversteken.

Filosofische bespiegelingen in gezegden die vooral leuk zijn om over na te denken en om je gedachten te vormen.

Bij een rivier gaat het uiteindelijk om nog veel meer. Het gaat om meditatie. Om zen. Om het verdwaald raken in de gedachten die de golfjes en de draaikolkjes in de rivier oproepen. Om in die golfjes de relativiteit van het bestaan te ondergaan.

De eerste beekjes van mijn jeugdherinneringen zijn niet eens stromen in de buurt van de doorwaadbare plaats. Nee, ik ging met mijn ouders en broer naar Gerlos, in de alpen van Oostenrijk. Niet ver van het Zillertal betrokken wij twee jaar op rij een pension en beklommen de bergen rondom. Ik herinner mij van die twee zomers weinig meer dan dammetjes bouwen in de beekjes rond Gerlos. Ik moet zeggen, een goede herinnering. Ik bouw nog steeds graag dammetjes.

Hoe oud was ik toen? Jaar of 8. Ik moet ook een jaar of 8 geweest zijn dat ik voor het eerst de stromen van mijn geboortegrond actief ging onderzoeken. Wij woonden destijds aan de rand van de stad, en ik was met een paar minuten lopen of fietsen in de weilanden en polders. Die werden ingesloten door drie stromende wateren: De Vecht, De IJssel, en Het Zwarte Water. Ik heb nog steeds een zwak voor die omgeving. De dijken zijn de enige verhoging in de wijde omgeving. En die omgeving is zeer wijd. Maar nog mooier dan die weidsheid van het land is de haast onbeperkte hemel. Als je op een dijk staat, en je kijkt 360 graden om je heen, dan zal onherroepelijk opvallen dat het land maar een 1/6 deel van je blikveld is. Meer dan land is het de lucht, de hemel die je ziet.

Niet dat ik dat toen al zag, want als 8-jarige was ik bezig met het struinen door de weilanden (ook in de winter; zie Waterrest). Ik moest letten op koeien en stieren in de weilanden, en tussen die weilanden lagen sloten. Aangezien wij niet deden aan poolstokken, was het zaak met sprongen over de sloten te komen. Slootje springen was niet iets wat we alleen deden in de zomer. In de herfst, in de winter, in de lente, in weekenden en vakanties.

Dat springen over stromende wateren was voorbehouden aan sloten. Beken als de Aa waren te breed, en de rivieren waren al helemaal niet geschikt om overheen te springen.

Die rivieren namen sowieso een aparte en parate positie in. Anders dan sloten die eens in de zoveel tijd uitdroogden, of bevroren, waren de rivieren nooit anders dan rivieren. Ik heb in mijn leven niet meegemaakt dat de rivier zo dicht gevroren was dat je van de ene oever naar de andere oever kon lopen en kon schaatsen. De rivier, dat betekende stromen. Steeds weer een nieuwe golf, een bergje water, draaikolkjes die bij de kribben verschenen en zo snel ze kwamen weer verdwenen.

Eigenlijk heb ik het dan over de IJssel. Dat is met recht een rivier. Het is min of meer ook het water waaraan de doorwaadbare plaats ontstaan is, waar een nederzetting ontstond die later mijn geboorteplek zou zijn. De plek, die hoger is dan destijds het moerassige landschap tussen de drie rivieren van IJssel – Vecht – Zwarte water, was ideaal voor een nederzetting. Al 1000-en jaren voor de plek in de annalen en oorkondes werd bijgeschreven (onder andere vanwege stadsrechten en vermeldingen van kloosters en kerken) woonden hier mensen. Niet alleen om die verhoogde plek in het moeras, voor mij een symbolische aanduiding van mijzelf, maar ook vanwege de rivier zelf: het aan en afvoeren van goederen naar andere (hanze)steden in de buurt, maar ook naar Noordzee en Oostzee via Zuiderzee.

De IJssel slingert traag door het lage land van polders, vlak langs de Veluwe die de IJssel noordwaarts geleidt. Om van de stad naar de overkant van de rivier te komen is er sinds lange tijd een brug. De weg Zwolle uit, westwaarts, was tot ver in de jaren 60, dus toen ik al geboren was, over die Katerveerbrug. Over de rivier. Over die brug kon ik bij mijn Nederlandse opa en oma komen. In de loop van mijn leven werd de A28 geopend en daarmee verdween de drukte en de verkeersdruk. Vanaf dat moment kon ik ook fietsen en fietste ik veel keren over de dijk naar het noorden, zoals naar Zalk (de westelijke dijk), of langs het Engelse werk (naar het zuiden, oostelijke dijk). In de zomer een prettige bezigheid, in de herfst en winter was het op de dijk onguur, omdat het omliggende land enorm plat is, en je leek steeds wind tegen te hebben. Heen en terug.

De rust die het fietsen over de slingerende dijk gaf, was fenomenaal. De eenzaamheid, de verre en weidse blikken, en vooral ook het vertrek uit dat sudderende, archaïsche dorp.

Het laatste jaar dat ik vaak op de dijk te vinden was, was toen ik in een Hanzestad ten zuiden van de doorwaadbare plaats ging studeren. Ik nam, toen ik nog niet op kamers woonde, meestal de bus naar die andere Hanzestad en die bus reed voor een deel over de dijk. Maar die rivier bleef, met de uiterwaarden en de dijken, een rustpunt.

Het gekke is: de andere twee stromende wateren, Vecht en Zwarte water, heb ik in mijn jeugd wel gezien, maar ik was nooit met plezier daar. Zou het zijn omdat V en ZW kleinere rivieren zijn, of kwam ik daar minder omdat in die buurt geen vrienden woonden, of familie?

De Vecht was een onbekende rivier en vaak een plek om heen te fietsen als ik vol verdriet en onbegrip zat. Als ik weer eens niets van mijzelf snapte, of als mijn ouders weer eens veel met zichzelf bezig waren en met vrienden, en ik mij volslagen onbegrepen voelde (zie ook het verhaal Regenen). Twee keer ben ik in mijn jeugd bij die rivier geweest, beide keren op weg naar Ommen om daar op een camping te staan. Verder zal ik vaker moeten zijn geweest, maar die tijd lijkt bewust gaten te hebben achtergelaten in de herinnering.

Het zwarte water is mij zelfs geen rivier, maar een verbindingswater. Een die de doorwaadbare plaats en de Vecht met het IJsselmeer verbindt.

Misschien meer op afstand, omdat ze feitelijk niet in de buurt van mijn geboortestek liggen, zijn rivieren in Duitsland. In de jaren dat ik in het Sauerland op vakantie ging, zijn watertjes als Sieg, Eder en Lahn erg bepalend geweest. Veel van mijn vakantieherinneringen spelen zich af in de buurt van die riviertjes (zoals o.a. het stuwmeer Edersee en de bronnen van die riviertjes).

De belangrijkste van die Duitse rivieren is wel de Rijn bij Frankfurt. Mijn familie komt uit die omgeving, ten oosten van de rivier en ten zuiden van de stad. Eigenlijk kwamen wij elk jaar wel aan de Rijn, en dan meestal in Nierstein, een dorp waar elk jaar begin augustus het Winzerfest wordt gehouden. Een feest in het dorp en op de kades langs de Rijn. Eten, drinken, vertier, en altijd met goed weer. En dan de Rijn, de rustige rivier, kalm kabbelend langs de kade.

En misschien het beste van de Rijn bij Nierstein: het pontje! De bruggen over de Rijn zijn daar niet in de buurt. Naar het noorden bij Mainz, 20 kilometer verderop. Naar het zuiden bij Worms, 30 kilometer verderop. Om van het Ried (waar mijn oma woonde) over de Rijn te komen, nam mijn vader het pontje. Wat een feest! Met de auto de pont op, een man die met zijn kaartjesmachine voor de buik bij de auto kwam, twee minuten varen: de herinnering is nog mooier de werkelijkheid ooit kan zijn geweest.

Rivierstromen. Ze zijn geen grenzen maar overbrugbare wateren. Wateren die eveneens het vermogen hebben je weg te voeren naar andere streken.

Stromen die je zen maken.

Zwemmen 2

Zwemmen is een bezigheid die niet alleen met overleven te maken heeft. Zwemmen is ook plezier, vooral als dat zwemmen buiten is. Buiten zwemmen betekent aangename temperaturen, buiten zwemmen betekent afkoeling, buiten zwemmen betekent zomer (ik tel de idioterie van ’s winters de zee in duiken bij wijze van nieuwsjaarsduik niet mee).

Buiten zwemmen is voor mij pas goed begonnen in een vooroorlogs openluchtbad. De warme zomer van 1976 is daarbij het anker waaraan mijn goede gevoelens van zwemmen in de open lucht beginnen. Een hete zomer, en ik heb net anderhalf jaar eerder mijn A en B diploma gehaald, dus met mijn jaarabonnement ben ik bijna dagelijks in het bad te vinden.

En baantjes zwemmen? Ben je gek! In het water, uit het water. Bommetje. 1 meterplank, 3 meter plank. Duiken naar de bodem. Ik was vanaf het begin een vis in het water. Het moet ook die zomer zijn geweest dat ik zintuiglijk wakker werd. Dat ik zintuiglijk uit mijn kindertijd los kwam.

Belangrijkste zintuig was misschien wel het bewust worden van meisjes. Ik keek maar wat graag naar die wezens die rond hun borsten een extra stuk stof hadden. Bij de meeste meisjes van die leeftijd, 10 a 11, was dat nog volslagen overbodig. Maar die meisjes die mijn aandacht hadden begonnen al datgene te krijgen wat een jongen van die leeftijd met veel testosteron in de dop buitengewoon nieuwsgierig maakte, zoals bredere heupen en kleine borsten in kleine bikini-bh’tjes. Het zou niet lang meer duren voor ik het eerste meisje zou zoenen, maar dat was die zomer nog niet aan de orde.

Die zomer waren meisjes ook in het zwembad en was ik niet veel meer aan het doen dan zwemmen. En dan vooral na het zwemmen tweekleurige druivensuikerlollies eten. Lolly’s met een boven- en onderdeel, met twee verschillende smaken. Als ik meer honger had, en de geur van heet vet en gebakken snacks trok mijn aandacht (en dat was bijna elke dag dat ik zwom), dan at ik een frikandel met een flinke klodder mayonaise. Hoewel ik zulk eten nauwelijks meer eet, vraag ik mij nog steeds af waarom ik dat zo lekker vond. Ik geef mijn moeder de schuld: als kind geboren net voor de oorlog had ze in haar eerste jaren niet genoeg eten en als ze na de oorlog de kans had veel, vet en goedkoop eten te verorberen, dan deed ze dat. Ik ben genetisch verpest, en mijn opvoeding van goedkoop en veel en vaak vet eten was ook niet behulpzaam.

De eerste periode van zwemmen in het buitenbad had een eindpunt, ofschoon ik nog jaren in dat zwembad kwam. Die periode werd afgesloten in de juni voor ik naar de middelbare school ging. Voor mijn gevoel was het een abrupt eindpunt. Ik was wederom in het zwembad, dit maal met mijn moeder en broer. Het was vroeg in de avond, en we koelden wat af. Ik deed daarbij natuurlijke de clowneske dingen die ik altijd deed in het zwembad. Ergens die avond sprong ik als een dwaze in het ondiepe en trok mijn knieën op. Sneller dan gedacht waren mijn voeten op de bodem. Met een lugubere klap sloeg mijn onderkaak op mijn rechterknie, en snel daarna sloegen mijn boventanden op de stilstaande onderkaak. Ik zag sterren, ik was even van de wereld. Toen ik terug kwam, proefde ik stukjes tand in mijn mond. De paar dagen erna had ik een beurse kaak, maar dat was het minste dat in het verschiet lag. Een jaar later, tijdens de tweede of derde vakantie in Bottenhorn, Duitsland (die vakanties lijken allemaal op elkaar), kreeg ik helse pijnen in mijn kaak. Mijn ouders brachten mij naar een arts, enkele tientallen kilometers verderop. Hij schreef een paardenmiddel voor, antibiotica die na twee pillen al het gewenste effect gaven. Om dit verhaal hier even snel af te maken (die verhaal is veel groter want het heeft me een groot deel van mijn leven bezig gehouden): achteraf bleek dat mijn vier ondertanden allemaal stuk waren na die klap en dat ik jaren later een geheel nieuwe set snijtanden (in de vorm van kronen) in mijn ondergebit kreeg.

In de jaren na de lagere school zwom ik nog steeds. Ik was inmiddels gestopt met reddend zwemmen, en als ik nog in het zwembad kwam, dan was dat in de zomer.

In de jaren na de basisschool zwom ik steeds vaker met mijn oog op de meisjes in het zwembad. Het kon niet uitblijven. ik denderde de pubertijd in! Ik kreeg erecties tijdens schooltijd (terwijl de meester voor zich uit kletste, zorgde ik zelf voor een lichte bevrediging door met een wijsvinger over mijn dieppaarse eikel te strelen die net boven de rand van mijn corduroy broek uitstak), mijn kruis kreeg schaamhaar en op mijn kin groeide baardharen, en ik was nou niet bepaald een scharminkel met mijn door het zwemmen gespierde en brede lichaam. Ik werd geil van nauwelijks iets. Wat de geilheid versterkte: de meisjes in zwembaden werden ook steeds minder meisje en steeds meer vrouw. De transitionele vrouw: het meisje dat de sprong naar vrouw maakte.

Een van deze meisjes in transitie was de Duitse C.. Zij kwam uit het roergebied, en ook zij vierde met haar ouders een paar jaar lang vakantie in het reeds genoemde Bottenhorn. Dat is een dorpje in het midden van Duitsland, in de bondsstaat Hessen. Mooie omgeving om te wandelen, veel steenhouwerijen, veel bronnen van riviertjes als de Lahn, Sieg, Dill, Aar, Eder. We sliepen in Pension Becker, inmiddels verkocht en alleen nog op ansichtkaarten op internet te vinden.

C. was net als ik een jaar of 13 toen we in die bosrijke omgeving met ons gezin vakantie vierden. Het pension was niet bijzonder, maar het eten was goed, ze hadden een grote tuin en: een semi-overdekt zwembad. Semi wil zeggen: het zwembad zat driekwart in de grond, en het had een dak dat open kon. Dan kon je uit het zwembad klimmen en in de tuin in het gras liggen. Ik heb dat dak weinig omhoog gezien. Het was ook geen groot zwembad: misschien een meter of 8 lang en 4 meter breed. Vaak was het rustig in het zwembad, en was dobberen het enige wat er viel te doen.

Op een van de vakantiedagen (het was het jaar na de onfortuinlijke sprong in het ondiepe waarbij ik mijn snijtanden in één klap stuk maakte) waren zij en ik in het zwembad. Verder was er niemand. We zwommen, kletsten ins Blaue hinein, deden heel gewoon. Maar de wijzen waarom we keken en het besef dat we wel spraken maar nog meer niet zeiden, dat was goed voor zinderende erotiek die ik niet eerder had gevoeld. Ik was niet geheel onbekend met meisjes, ik had op dat moment al vier meisjes gezoend, ik had borsten gestreeld, maar dat was steeds met anderen erbij. Dit was nieuw: C. en ik waren met ons tweeën. Man, wat was ik opgewonden. Ik wilde zelfs niet het water uit. Bang dat zij zou zien HOE opgewonden.

Toen we uiteindelijk gingen omkleden, ben ik – denk ik, heel precies weet ik het niet meer – met een handdoek in mijn handen, nonchalant voor mijn kruis houdend, naar de omkleedruimte gegaan. Zij kleedde zich om in de kleine kleedkamer, ik op de wc. Toen ik naakt daar stond, kwam ik niet van de erectie af, anders door beide handen om de inmiddels keiharde lul te sluiten en flink over van ballen tot eikel te wrijven en het zaad te laten gaan.

Nee, ik heb haar nooit gezoend of zelfs maar aangeraakt. Zo gaat dat met geestvernauwende geilheid en zich voor het eerst openbarende verliefdheid.

Niet veel later, ik was net 16 geworden, kreeg ik mijn eerste verkering. Zij, J., kwam uit een cerebraal gezin. Kunst, muziek, kennis stonden voorop. J. was daardoor vol van kennis en feite en liefde voor muziek. Dat trok me dan ook erg in haar aan. Toen we een half jaar verkering hadden, begon naast het voorzichtig zoenen en handje vasthouden ook het opzoeken van elkaars lichaam. Niet alleen thuis, in de gang of later in de werkkamer van haar vader, maar ook (en dat verbaasde mij) in het openluchtzwembad. We zoenden elkaar zo geil in het diepe water, met verder niks aan dan zwemkleding. Onze lijven drukten hard tegen elkaar, en mijn hand gleed in haar zwembroek, en mijn vingers drukten tussen de hete schaamlippen in het koele water… Ik kwam er bijna van klaar. Bijna onbeschaamd hoe geil we waren en ons niet van wie dan ook aan trokken. Nog meer, gezien het feit dat ze schijnbaar iets preuts over zich had. Nog steeds, en ik heb haar sinds de tijd in de doorwaadbare plaats niet meer gezien, verbaas ik mij over het gemak van de geilheid in het zwembad. Het gemak waarmee zij toestond dat we elkaar wild opgeilden.

Ik heb beide vrouwen, C. en J., nooit meer gezien na mijn tijd in de doorwaadbare plaats. Maar ik dank ze nog steeds. Dat C. met mij in dat zwembad een spelletje van bijna naakte lijven en smachtende blikken wilde spelen. En J. bracht nog meer in mijn leven; ik kwam voor het eerst in het bijzijn van een ander klaar (zie Neuken), in een buitenwijk in dat geboortedorp, dat toch echt een gat was, een klein burgerlijk en klein-christelijke gemeente die – als het ware – een kuisheidsgordel droeg, maar pronkerig rondliep in de bontmantel van een stad. Ik dank beide meisjes tot op vandaag de dag dat zij, die meisjes van toen, mijn eerste geilheid wisten op te roepen en te beantwoorden. Dat zij in het zwembad hun bijna naakte lijf lieten bekijken.

Pas jaren later, toen ik nog sporadisch in mijn geboorteoord was, heb ik geneukt in het water, in de zomer, buiten. Dat was met M. in de Hoornse plas, niet ver van de stad Groningen. Het was een hete zomer, vol drugs, drank, en de studie die ik deed lag op zijn gat. Alles was gericht op genot. En wat ik al had willen doen, al toen ik elf jaar was en in het zwembad van het reddend zwemmen met het blonde meisje zoende en niet verder kwam, of later met J. die zich wel liet vingeren in het water, dat ging nu gebeuren. Namelijk seks hebben in het water, buiten bij mooi weer. En hoe: draaikolken omsloten ons terwijl wij ons niets aantrokken van mensen die ons die dag, vroeg in de avond op een warme julidag, konden zien en horen.

Want die seks moest. Jezus, wat moest die geilheid zich een weg naar buiten vinden en in haar naar binnen. Eindelijk, eindelijk sloot ik mijn kleine jeugd af. Eindelijk was zwemmen in een zwembad niet meer nodig.

Misschien dat ik zo dus een goed gevoel bij seks heb. Wat begon met ontdekken van monden, borsten en schaamlippen, werd uiteindelijk geilheid en seks die in mijn geboortedorp en tot ver daarna steeds genieten was, een constant ontdekken.

De basis van mijn leven, dus:

Ik en genot, ik en ontdekkingen.

Varen

De plassen en rivieren rond de doorwaadbare plaats zijn ’s zomers goed voor veel waterplezier. De drie rivieren, waarover later meer, zijn de IJssel, de Vecht en het Zwarte Water. Verder zijn er grachten van de binnenstad, de plassen in de buurt, veelal zandafgravingen voor de nieuwbouw van de uitdijende stad, maar verder weg ook de zogenaamde ‘wiedes’, Beulakerwiede en Belterwiede. Al dat water is ideaal voor pleziervaart, surfen, zeilen, kanoën, zwemmen.

Het eerste varen op die wateren was met jeugdvriendje P. Hij woonde een flat verder, en vanuit het zijraam van ons huis kon ik het balkon zien van zijn huis. Hij zat op dezelfde lagere school, en we speelden van jongs af aan in de zandbak. Zijn ouders hadden een boot van een meter of zeven lang, niet genoeg om lang mee op het water te vertoeven want geen kooien, maar wel een kleine kajuit om een nachtje in te slapen en een plek om wat eten te maken op een butagasfles. Een paar zomers lang, in de middelste jaren van de lagere school, mocht ik af en toe een weekend of een dag mee. Ik herinner mij weinig van het varen zelf, maar op het moment dat we in een van de grotere kolken langs het zwarte water voor anker gingen, terwijl de zon naar de horizon daalde, haalden we onze hengel tevoorschijn en op de aanlegsteiger hingen we onze bamboehengel boven het water en keken naar de dobber. Een zomer zaten we met onze hengel en op een gegeven moment merkten we dat we kleine voorntjes zonder aas kon vangen. Gewoon visdraad met haak en dobber in het water hangen en binnen enkele minuten had een vis zich vastgebeten. Van dat varen is dat eigenlijk het enige wat ik mij herinner. Warme avonden moeten het zijn geweest, maar daar herinner ik mij ook weinig van.

Op de middelbare school kwam het varen (het surfen niet meegerekend) terug in de vorm van punteren en kanoën. In de buurt van de doorwaadbare plaats is er een plek bij uitstek waar beide vaarmogelijkheden uitermate goed kunnen: de Belter- en Beulakerwiede. Destijds had ik een vriendenkring met kinderen van allerhande scholen: Atheneum, havo, mavo, lbo. Een goed gezelschap van mensen die van spelletjes hielden (old skool, zoals kaarten en bordspellen) en met de avonden veelal voorbij gingen met bier en spa met een sterke borrel erin. De groep, met daarin een broer en zus, een tweeling, een geadopteerde Molukker, en een spijker, een jongen zo iel dat je twee keer moest kijken om hem te zien als hij stil stond. Met hen was ik vaak samen. Weekenden, of avonden als bij een van ons de ouders niet thuis waren.

Een van de ouders van het gezelschap was in het bezit van een stacaravan die ergens in de jachthavens tussen Zwartsluis en Giethoorn stond. We waren daar niet zo vaak, maar als, dan in de zomer en als, dan werden spelletjes gespeeld. En gekanood. Ik moet zeggen, ik heb geen prettige herinneringen aan stacaravans in combinatie met jachthavens. Ik zal nog eens uitzoeken waarom. Instinctief zeg ik: mensen op boten zijn niet zo schoon. Ze douchen zich minder, en als ze zich wassen, dan is het in het vervuilde water van een kanaal, rivier of meer. Kleine bootjes in jachthavens zijn ook nog eens ‘sneu’. Ja, sneu. Zeker een kano is sneu. Een kano is geen boot. Het is een te smalle kuip waar je niet kunt relaxen. Dat zal het zijn. En op die wiedes bij Giethoorn: het water was ondiep dus als je kano omsloeg, stond je met je voeten in de modder.

Beter in kwaliteit en daarmee mijn herinnering was het varen toen mijn leven in de doorwaadbare plaats naar een einde neigde en ik mijn geboortestad verliet. Toen was ik menige dag in de week te vinden in de middeleeuwse binnenstad. Die wordt omsloten door een gracht, en zelfs doorsneden door een gracht. Kijk je op een land kaart, dan heeft de gracht de vorm van een BB-8 avant la lettre. Rond met een dwarsgracht. In die dwarsgracht lag sinds begin jaren 80 een rondvaartboot. Een platte schuit, een praam. Achter een lichte motor, geen opbouw op de boot, want de bruggen over de grachten zijn uiterst laag. Ding van niks, nauwelijks charme, geen flitsende bedoening. Maar waar niks alles is wat er is, is iets wat er is, alles. De praam werd door mijn oudste neef gevaren. En als hij het ok vond, voer ik de schuit door de grachten en vertelde over de geschiedenis van de stad. De ontstaansgeschiedenis van die doorwaadbare plek in de IJssel, de rivieren die de stad omcirkelen, de restanten van de stadsmuren, de moderne devotie, de geschiedenis als Hanzestad, de herkomst van de naam Blauwvingers, het verdedigingswerk, de oude gasfabriek op een van de bolwerken die al lang weg was, de laatste stadspoort De Sassenpoort, de brede brug waarover ooit een snelweg door de stad zou worden aangelegd, ik had verhalen genoeg.

Ik was ook vaak aan de kade van de rondvaartboot te vinden als mijn neef gewoon moest werken. Op een van die namiddagen zat ik op de kant, en keek naar de mensen die een tochtje wilden maken. Even tussen neus en lippen door: ik was toen net 18 geworden en mijn eerste verkering liep op zijn einde, maar dat wist ik nog niet. Hoewel… Ik wilde het niet weten. Het is hindsight, want wat die dag gebeurde, was een teken aan de relatiewand. Ik zat daar dus weer eens (en niet bij mijn vriendinnetje), mijn neef stond op het punt de praam door de grachten te varen, en terwijl ik de vaargasten in mij opnam, bleef mijn blik hangen op een oudere, stijlvolle dame die richting rondvaartboot kwam gelopen en naast haar zweefde een van de mooiste meisjes die ik tot dan toe had gezien in mijn leven. Zo gracieus, zo verfijnd. Ik keek naar haar, we lachten elkaar aan, en ik voelde bijna schaamte dat ik me liet toelachen, en erger, dat ik terug lachte. Nu weet ik: dat was weltschmerz, spleen, pre-liefdesverdriet en niet kunnen krijgen wat je op dat moment zou willen hebben. Op dat moment wist ik dat ik haar zou willen spreken, zou willen ruiken en misschien zelfs proeven. Ik keek naar mijn hand en zag daar een vriendschapsring die ik een jaar eerder had gekocht – omdat het zo hoorde, weet ik nu – voor mijn verkering en mij. Ik keek van het mooie meisje naar die ring en spijt borrelde sluipend als giftig gal omhoog. Ik wist op dat moment – ik was zeventien a achttien jaar oud – niet dat het spijt was. Maar dat was het. Spijt van het feit dat ik verbonden was aan een vriendin, verkering, die ik niet meer liefhad. Een meisje die ik had gehad om te achterhalen waar het mannetje-vrouwtje-verhaal omdraaide. Ik kreeg natuurlijk meer van en met die eerste vriendin, maar feitelijk was het na het tongzoenen, het vingeren in de gang, het pijpen en beffen en neuken – met klaarkomen op haar weelderige schaamhaar, waarover in ander verhaal meer – het grote willen en verlangen wel weg. Het moet gezegd: ik heb nog wel met veel plezier een tijd lang dat neuken volgehouden. Dat ‘bij een vrouw blijven’ was niet uniek voor haar, ik ben bij menig vrouw / vriendin / relatie gebleven omdat ik zo van seks hield en ik te lui was een nieuwe vrouw te zoeken.

Van al die dagen op de praam in de stadsgracht van mijn geboortestad is die lome, voorzomerse avond in april eerste helft jaren 80 mij het meest bij gebleven. Ik denk nu nog steeds dat het moment aan de gracht, dat ik besefte niet vrij te zijn als de wereld daar wel de ruimte voor vroeg, mij tot in de diepste vezels heeft gevormd.

Eén vrouw voor altijd? En niet mogen kijken of verlangen naar een tweede of derde? Nooit meer flirten en opgewonden raken door andere borsten of billen, of een andere kleur ogen of haar? Nee. Dat was eens maar nooit weer. Ik vaar mijn eigen koers, niet de koers van de goegemeente.

Als ik al vaar. Ik ben liever op de kant en kijk naar bootjes op de rivier. Of maak mijn eigen bootje van hout of papier. Heerlijk. Maar mijn verlangen om steeds op de scheiding van land en water – en als ik water zeg dan bedoel ik toch vooral zee – te zijn, zoals in Schotland, op eilanden, in Italië, Japan, is niet voor niets.

Maar ik blijf op het liefst op het land. Wel land dat aan water grenst. Niet in de bergen bij een lullig bergbeekje.

En varen? Varen is een manier om van land naar land te gaan. Varen is een middel voor een doel. Voor mij geen dobberen op het water. Ik zie liever de schepen voorbij gaan. En als het moet: ik verbrand liever schepen achter mij.

Surfen

Goudbruine jongens in spierwitte broekjes en Hawaï-shirts, gebronsde meisjes met een Colgate-smile. Volk uit een buurt met vrijstaande villa’s van ouders die aan bezit de hoogste menselijke waarde toekenden. Volk dat kinderen uit andere wijken neerbuigend behandelde alsof ze minderwaardig waren. Dat volk van jongens en meisjes leverde opdrachten voor schoolvakken in die zij nooit zelf kunnen hebben gemaakt, zoals opstellen voor Nederlands. Opstellen die door hun vader moeten zijn geschreven, gegeven het haast arrogante taalgebruik en woorden die geen puber ooit in zijn mond zou nemen. Deze kinderen, daar zat ik mee op school.

Kinderen, en 35 jaar later zijn zij kinderen gebleven omdat zij in mijn hoofd niet ouder zijn geworden, deze kinderen associeerde ik met tennis, hockey, windsurfen, geld, leegheid. Kinderen die niet mijn volk waren.

Ook een reden voor de enorme afstand tussen mij en deze ontaarde, emotie-arme Ikarussen was hun lege blik. Ik snapte niet hoe deze mensen überhaupt, als ze al nadachten over andere kwesties dan geld en bezit en pochen, dachten over de wereld. Over de wereld buiten hun blikveld. Een lege blik in de ogen ging gepaard met een vernauwd blikveld. Ze speelden geen muziek, behalve misschien verplichte pianolessen, maar dat alleen omdat pippa dat wilde. Ze tennisten en hockeyden omdat hun omgeving dat deed. Ze gingen alleen om met mensen die ook atheneum of gymnasium deden. Nog meer dan welk uiterlijk vertoon ook, was het dragen van dubbele polo’s, natuurlijk van Lacoste want dit waren de jaren 80, met de kraag omhoog. Die dubbele kraag omhoog was hun forté.

Ik chargeer, maar de werkelijkheid was nog extremer. De werkelijkheid was een aaneenschakeling van incidenten die de ontaarde ontgroeningen van studieverenigingen tot een picknick in het park lieten zijn.

Het voorwerp dat zo ongeveer alles in zich had om mij superieur te maken aan die mentale speknekken: een Seiko-horloge. De werkelijkheid: het was 1983, ik zat in een klas met boven beschreven jongetjes en meisjes met laatdunkendheid als eerste natuur. Op een dag, na een vakantie, kwam ik op school en droeg mijn digitale Seiko-horloge dat ik die zomer van mijn Duitse oma had gekregen. Tweedehands, meen ik, maar daarom niet minder mooi. Zeker een horloge met een hoge kwaliteit. Ik liep er niet mee te koop perse, maar een van de jochies uit die klas zag het horloge.

Terzijde: ik heb vanwege dit verhaal deze oud-klasgenoot laatst op internet opgezocht. De foto van hem nu is als een foto van hem toen. Geen biet veranderd. Dat jochie, ik noem hem Kleine Boy (naar zijn initialen), had ook toen een streep als mond. Een lege blik in de ogen. Een tweedimensioneel karakter uit een strip die voor iedereen de neus ophaalde.

Terug naar toen. Destijds droeg hij zo’n poloshirt met krokodil en een dubbele kraag rond zijn immer stijve nek, en op een dag in de schoolbanken keek hij met dedain naar mijn pols, zag het cadeau van mijn oma en het enige wat hij uitkraamde was: “Zeker een heel goedkoop horloge.” Kleine Boy keek beter en zag toen Seiko. Hij slikte, zei ‘Oh” en keek snel en stuurs een andere kant op.

Vanaf dat moment verdween het laatste, kleine beetje respect dat ik voor zulke kartonbordjongens had, als aceton uit de benauwde lucht tussen mij en de papjongens.

Hoe anders dan zij was ik. Ik deed wat goed voelde, zonder dat ik me liet beperken door wat mijn omgeving aangaf dat kon of mocht of wat hoorde. Ik speelde in het schoolbasketbalteam, met jongens van alle schoolniveaus. Ik speelde met mijn band Jerkin, bestaande uit drie jongens die op respectievelijk mavo, havo en vwo zaten en met wie vanaf mijn 14e op de culturele avonden van mijn school en later zelfs op feestjes van schoolgenoten optrad. Ik had een vriendenkring met niet alleen schoolgenoten of alleen kinderen van mijn eigen buurt, van mijn eigen schooltype, van mijn eigen sport maar ook daarbuiten.

Alles wat organisch in mijn leven kwam en paste, dat bleef. Bij de KB’s van die wereld toen, leek alles van hun leven mechanisch, anorganisch. Welk schoolniveau zij kozen: niet zelden zag ik zulke kinderen met moeite het VWO doen, en ze deden alleen dat niveau omdat hun omgeving en vooral hun ouders aanspoorden dat niveau te halen;  dat lukte hen niet door hun intelligentie zo zeer, niet door intrinsieke motivatie, maar door extrinsieke pushes. Het mechanische zat in veel meer: welke vrienden zij hadden, welke sport zij kozen. En erger: de omgang met hun ouders.

Hun leven en de invulling daarvan was niet een gevolg van zelf nadenken, van zelf kiezen, maar van wat de omgeving wilde. Wat hun vrienden deden, wat hun ouders wilden.

Wat dat laatste betreft: die band tussen kakkers (want dat waren zij: kakkers tussen boeren, alto’s, en dan nog de eenlingen als ik) en ouders was onmiskenbaar. De drang van de ouders tot het kind naar hogere niveaus te brengen, om te gaan studeren was steeds aanwezig. Mijn ouders hadden dat niet. Mis ik die band die zij wel van hun vader kregen? De logica van gaan studeren? Van een baan met veel salaris en aanzien? Van extrinsieke motivatie? Gek genoeg is het antwoord nee. Nee! Niet op die manier. Wel op de manier zoals ik nu met mijn eigen zoon erin sta. Helpen zijn eigen weg vinden, meedenken over paden inslaan die je leuk vindt, aanbieden van het leven zoals je dat vindt in kunst, landen, talen, eten, drinken, sport, muziek, dansen, etc. etc. De ruimte bieden om alles anders te doen, als je maar blijft geloven in jezelf en jezelf weet te verbeteren. En: helpen steeds je best te blijven doen, om niet op te geven. Buiten de lijntjes kleuren.

Terug naar toen, 35 jaar geleden. Er was in mijn klas een jongen die ergens thuishoorde in die groep van dubbele kragen, die zoals velen ouders had die ondernemer waren, maar die toch op een aangename manier afweek. Hij was zo iemand die open en eerlijk was, niet pochte, en gewoon genoot van de dag.

Hij, ik noem hem maar even Beste Knul – naar zijn initialen –, heeft iets in gang gezet dat mijn transitie betekende van gewoon mannetje met de beperktheden van thuis naar een ventje dat alles zal omarmen dat goed en fijn voelt. Dus niet: doen niet omdat je omgeving zegt dat je dat niet moet doen, of wel doen omdat je omgeving zegt dat je dat moet doen. Ook niet: alles doen wat thuis niet wordt gedaan.

Nee, de durf te doen wat goed voelt, te doen wat je nog niet kent, en je niet laten beperken omdat men (die fucking men) zegt dat het niet mag, kan, hoort.

Enfin. Ik kwam graag bij hem thuis een groot huis in een buitenwijk van mijn stad en niet ver van de Brinkenbuurt, de plek waar men snoeven als levensbeschouwing had omarmd. Niet ver van die buurt vol dubbele kragen en dito nekken dus, en toch lichtjaren verwijderd. Voor snoeven, opscheppen, huichelachtig zijn had hij gewoon te veel rust, te veel relativeringsvermogen. Was het dan dat hij enigst kind was dat hij ruimte had om zichzelf te blijven, ondanks het geld in de familie? Ik zal het niet weten, en misschien wilde ik hem aardig vinden omdat hij niet bij die kliek hoorde, en toch weer wel, maar het hem niet uitmaakte dat iemand niet was als hij. En niet alleen hij was ok, ook zijn ouders lieten me zijn wie ik was. Ook zij hadden dat aangename van genieten, van een BBQ in de tuin, kersen eten en dan de pitten de tuin in schieten. Ik voelde me welkom daar.

Hij stelde op een warme voorjaarsdag voor om mee te gaan naar de zandafgravingsplas om daar te gaan surfen. Een sport die ik tot dan associeerde met brabrabra, irritante hete-aardappel-in-de-keel, overtrokken zelfbewustzijn, minachting voor wie anders was. En toch, ik was nieuwsgierig. Dus zei ik ja.

We reden  samen naar de plas net buiten de stad. Hij had zijn eigen plank. Letterlijk een plank. Een deur, die bleef drijven als je er op stond. Op die deur heb ik leren surfen. En dat terwijl het helemaal niet mijn sport was, gegeven het feit dat het thuis hoorde in de hoek Lacosta / tennis / hockey, en ook: Paco Rabanne. En de foute gasten.

Maar BK nam me mee naar De Wijde Aa, op de fiets met de surfplank met mast en giek op een klein wagentje achter zich aan. Daar op de zandafgravingsplas leerde ik in een zomer plankzeilen. Zonder wetsuit, zonder trapeze, gewoon, volgens het adagium: ‘voel de wind en gebruik je spieren en weersta het water dat op druilerige dagen koud is’. Als ik mij goed herinnerde, was de plank van het merk Dufour.

Door Beste Knul leerde ik:

  • dat je niet moet doen wat iedereen in jouw omgeving doet,
  • dat niet met die mensen moet omgaan waar je omgeving van vindt waar je mee moet omgaan,
  • dat je vooral ook die bezigheden niet moet laten omdat de soortgenoten (letterlijk: soort als in op elkaar lijkende mensen die van elkaar genoten) die wel laten.

Sindsdien en mede door BK is er geen rem op de wereld meer. Iets is lekker of mooi of wat ook als je hebt geprobeerd en iets hebt goed bevonden.

En ondertussen vraag ik me af: hoe zou het met die jongetjes van toen zijn? De brabra’s en de bla-bla’s van de jaren 80. Uitgerangeerd? Gescheiden? Ingekakt in een Vinex-wijk? Rondbuikige patsers in vergelijkbare huizen als hun babyboom-ouders? Ik vermoed dat zij, de speknekken met dure kleren die hen tot eenheidsworst maken, nog steeds niet interessant zijn. Een eerste blik op een aantal van hen die ik via internet vond bij wijze van mini-onderzoek bevestigd mijn vermoeden want niet geheel tot mijn verbazing: ze zijn na hun studie weer terug in de vertrouwde omgeving van hun jeugd. Terug in dat gehucht, die doorwaadbare plaats. Terug naar die kleine wereld. De wereld van zekerheden, de wereld van hebben wat je hebt, van blijven zitten waar je zit en je niet verroeren.

Zij en hun wereld staan haaks op mijn wereld van doorgroeien, uitproberen, de wereld verkennen. Op mijn wereld van creativiteit of wetenschap.

En hoe is het met BK? Zou hij nog aan mij denken? Aan het surfen, onze jaren op school, de tuin achter zijn ouderlijk huis, onze verkering met de twee zussen, en de duizend en een kleine gebeurtenissen en verhalen die ik grotendeels vergeten ben? Is BK nog steeds die jongen die in staat is om andere mensen niet af te stoten zoals KB dat heel goed kon? Dat is de eeuwige pendule: de meeste kinderen, die zoals KB zijn, moeten wel zo doen als ze doen. Omdat ze niet anders kunnen. Niet anders durven. Niet anders willen.

Holbewoners.

Zwemmen I

Als goedgeaarde Nederlander leerde ook ik zwemmen. Dat hoort bij de Nederlandse opvoeding. Ons platte land met sloten, beken, meren, plassen, vijvers, kanalen: je overleeft beter, meer, vaker, als je kunt zwemmen.

Hoewel ik het nooit zo gemerkt als jongetje, is water een bedreiging. Het is geen natuurlijke habitat. Wie in het water ligt, wie drijft, wie zijn hoofd boven water houdt: hij overleeft. Maar ten onder gaan is zo gebeurd. Je moet echt aan het werk wil je boven water blijven. Het is een best angstige omgeving als je niet kunt zwemmen. Ik heb nooit een angst voor water gehad, voor zover ik mij kan herinneren, terwijl ik ergens toch een angst heb moeten overwinnen. De angst van het ten onder gaan, van niet meer kunnen ademhalen. Van het uitstellen van verdrinken. Dat is voldoende motivatie te willen blijven drijven.

Als terzijde: ik vermoed dat ouders hun kroost niet wil (laten) leren zwemmen om de reden dat zwemmen zo leuk is, maar omdat het belangrijk is voor het overleven.

Laat mij dat even heel duidelijk in het centrum van de aandacht stellen: zwemmen is zeer leuk. Voor mij wel. Ik duik nog steeds met veel plezier zwembad of rivier of zee in. In mijn stoutste dromen heeft dat de geilste reden van alle redenen: bijna naakt en zonder sociale weerstand samen zijn in het water waar wij vele miljoenen jaren uit zijn ontsnapt. Back to the roots van ons menszijn. Geen schaamte (bijna dan, want helemaal naakt zwemmen is toch voor veel mensen te stap te ver). Geen kleren (bijna dan, want die zwembroek of bikini moet aan van de samenleving).

Ja, ik denk echt dat wij ons in water willen begeven omdat het een omgeving is waarin we weliswaar niet kunnen ademen, maar als water ons omsluit, verdwaalt onze geest weer in de prehistorische herinnering; met andere woorden, ‘in water zijn’ wordt door onze geest herkend als een moment dat verre voorouders als ‘natuurlijke habitat’ had. Ik denk dat het nog verder gaat: we voelen ons thuis in water als herinnering aan ons meest oorspronkelijke moment. De tijd van ons leven in de baarmoeder.

Voor wie nu roept: is dat niet wat ver gezocht? Natuurlijk, het kan vergezocht zijn, maar dat is het punt niet. Het is een mooi verhaal. Mooi startpunt. Voor nu: meer niet.

Maar de waarheid van mijn goed voelen is veel banaler.

Wat zwemmen voor mij het allerfijnste maakt, in minder filosofische en psychianalytische zin, is dat water minder zwaar maakt. Zwemmen maakt niet gewichtsloos, maar wel veel lichter. Bewegen gaat dan weliswaar moeilijker, want lucht geeft minder wrijving, maar hangend, drijvend in het water is het hele lijf bijna licht. Het lichaam voelt veel minder de zwaartekracht.

De tweede reden van mijn goed voelen begon in de hete zomer van 1976 (zie ook het verhaal Zwemmen 2). Ik had twee jaar eerder, op mijn achtste, in een maand tijd zowel diploma A als B gehaald. De foto’s van die tijd laten een onschuldige ik zien die samen met ca. tien kinderen die op de rand van het ondiepe badje in het Stilo-zwembad zitten. Ik herinner niets van die zwemlessen, behalve dat er dus die foto bestaat van mij en een vriendje. De rest van de kinderen zegt me niets. Wie weet woonden ze toen bij mij in de wijk, of wonen ze nu bij mij in de straat.  Ik leerde dus zwemmen en ik vond het leuk. Sterker, kunnen zwemmen terwijl de zon die zomer op Nederland neersloeg, dat was een stukje hemel.

De derde en de wellciht belangrijkste reden van mijn zwemgenot gaat aan dat alles voorbij. En dat heeft met het woord genot zelf te maken. Na mijn diploma’s a en b bleek ik een goed zwemmer te zijn. Ik wilde dan ook meer. Dat meer kreeg ik in de vorm van 4 jaren en 4 diploma’s reddend zwemmen. Pop duiken, een onwillige drenkeling naar de kant brengen (die, mocht de drenkeling de redder in nood in gevaar brengen en onder water trekken, met een klap flinke k.o. mocht worden geslagen…), vele meters maken, met een reddingstouw of -boei gooien, allemaal goed. Elke donderdagavond fietste ik door de stad naar het Stilo-bad; Stilo staat voor STIchting Lichamelijke Oefening. Het bad, het eerste overdekte zwembad in Zwolle (geopend: 1933) dat tot doel had de lichamelijke oefening van de ‘mensch’ te stimuleren, was van een vooroorlogse kwaliteit. Hoekig, veel wit, veel glanzende plavuizen en witte buizen. Nieuwe zakelijkheidsarchitectuur, een beetje Amsterdamse School. Om een idee te krijgen (foto’s zijn van Henriet Kornelis):

csm_zwolle-138_3104d05b20

 

Dit zijn foto’s van vlak voor de sloop in 1991. Op de eerste foto hangt achterin de hoek een tegeltableau, een kunstwerk dat was gered en in het Hanzebad in Zwolle heeft gehangen. Kunsthistorisch had het tableau weinig waarde en inmiddels is het vernietigd. 

csm_zwolle-140_06db6bfec2

In dit STILO-zwembad leerde ik zwemmen. Maar dat niet alleen. Hier werd ook de man in het jongetje gewekt. In de laatste jaren van mijn reddend zwemmen, ik was 11 a 12, werd het leven spannender. Een paar van mijn medezwemmers, een lang, dun meisje met donker haar en kort, stevig meisje met blond haar, en een jongen die ik mij verder niet herinner behalve dat er nog een jongen was, zag ik toen steevast in de fietsenstalling. Wat ik daar deed? Roken. Kletsen. Puberaal gedrag, ook al was ik pas 11 of 12. Dat puberale gedrag nam een keer halfseksuele vormen aan doordat ik in de ruimte voor de kleedhokjes…,

Hier dus:

csm_zwolle-143_8460900e0d… supergeil tongzoende met de blondine, met om ons heen allerlei kinderen met hun ouders die afkeurend naar mij en de geile stoot keken die elkaar volstopten met elkaars spuug.

Ik voelde geen enkele schaamte, toen al niet. Als ik de kans had gezien, in het zwembad en na dat zoenen, dan had ik haar geneukt in het diepe. Helaas letten de badmeesters, onze docenten zwemmend redden reddend zwemmen, iets te goed op om daar echt werk van te maken.

Het zwembad is inmiddels gesloten en gesloopt. Er staan nu lelijke appartementen en alleen de naam van de straat, de Stilobadstraat, herinnert aan het feit dat daar bijna 60 jaar een zwembad heeft gestaan. Voor mij is dat bad een van die plekken waar bijna naakte meisjes, ontluikend en lustopwekkend, met mij ronddreven, en die ik vast mocht pakken als onderdeel van leren reddend zwemmen. De kopgreep, de polsgreep, de schoudergreep, die kon ik vrij snel, maar bij meisjes was de zeemansgreep mijn favoriet. Met mijn arm onder haar oksel door en haar pols vasthouden terwijl mijn onderarm op haar beginnende borsten leunde.

Zwemmen is geilheid. Terug naar de baarmoeder, terug naar het vruchtwater.

Vissen

Mijn vader zaliger was een man uit Duitsland. Geboren ergens uit het zuidelijke deel van Hessen, dat net onder het noord-zuid-midden van het land ligt. Voor wie het interesseert: ga van Bastenaken naar het oosten en van Zurich naar het noorden en waar die twee lijnen kruisen, voila: Gross-Gerau. De hoofdstad van een Kreis. Vandaar dat als ik ergens een auto zie met een Duits nummerbord dat met GG begint, mijn hart altijd een huppelsprongetje maakt. Dat is voor mij even terug naar mijn jeugd, naar reizen naar mijn Duitse oma, de moeder van mijn vader.

Om een idee te geven wat voor stadje Gross-Gerau is: het ligt in een gebied ten oosten van de Rijn. Rijke grond, waarin vooral asperges worden verbouwd. Dit deel van Duitsland wordt ook wel het Hessische Ried genoemd. Moerassig gebied geweest, met veel riet en modder. Heel vlak ook, waardoor je in de verte, in het westen, de heuvels langs de Rijn kunt zien en even ver weg, in het zuidoosten, het Odenwald.

Mijn vader werd geboren in een tijd dat er op geboorteaktes een hakenkruis stond. Zijn eigen vader was in de Duitse Wehrmacht, lid van een fietspatrouille. Zijn moeder, mijn oma die ik wel gekend heb, had toen de oorlog voorbij vier kinderen Haar man was verdwenen (weggebombardeerd in vermoedelijk 1944 terwijl hij vrolijk lachend met zijn oude kameraden door de omgeving van GG fietste, misschien wel op een gestolen rijwiel uit Nederland). De stad lag in puin en as. Hier en daar staan in de stad nog vakwerkhuizen (zie de foto), maar het meeste is van na de oorlog.

Groß-Gerau_1

De plek en tijd zijn van belang. Mijn vader heeft me, zo weinig als hij ook van zijn jeugd bloot gaf, wel eens wat verteld over de jaren na de oorlog. Met de vele speelplekken, met veel ontplofte granaten (hij is zo menig vriendje kwijtgeraakt…), met veel tijd, want scholen moesten nog worden opgestart, en geen vader die riep dat hij binnen moest komen: alle kans om de wereld te verkennen. Voeg daar aan toe: het vele water in de buurt, van de Rijn tot kleine plassen en beken. Hij was dus bekend met water en veel tijd.

Maar: heb ik van hem leren vissen? Nee.

Ik heb leren vissen van mijn Nederlandse opa. Hij heeft me mijn eerste hengel gegeven; een van bamboe, inclusief lijn, dobber, lood en haak. Niet mijn vader. Hem, uit wiens zaad ik direct voort spruit, herinner ik mij niet als iemand die mij zaken geleerd heeft. Als iemand van wie ik het begrip liefde heb geërfd. Van wie ik meer was dan het product van zijn sperma en mijn moeders ei. Voor mijn vader was het leven volgens mij vooral overleven. Ik heb dat overleven een beetje geërfd, maar geleerd heb ik voor mijn gevoel weinig van hem. De meeste dingen die hij, een elektricien, mij leerde waren hoe je kabels moest verbinden.

Vissen, nee, dat niet.

Waar ik viste? Juist. In dezelfde beken waarop ik schaatste.

In de zomers van mijn lagere-school-jeugd was ik vaak aan die beken te vinden. Op een middag in juli , terwijl de zon af en toe schuil ging achter zweterige wolken die de kletsnatte middaglucht op de aarde drukten, zat ik aan het water met mijn hengel. De beken van de AA-landen zijn op veel plekken niet veel breder dan een meter of 3, en zo goed als overal doorwaadbaar, zodat een hengel al snel de overkant haalt, en de haak en het lood al snel de bodem raakt. Ik zat op mijn visstoeltje te staren naar de dobber die op het spiegelgladde water niet van zijn plek ging. Aan de haak hing een klont wit brood. Af en toe trok een vis zacht aan het brood en dan verschenen rond de dobber kringen in het verder rimpelloze water. Ik verzonk in gedachten over ik weet nu niet meer wat. Meisjes? Zelfbevrediging? Seks? Roken? Zwemmen in het openluchtbad met meisjes en hun ontluikende borsten? Ik was geen kind meer, ik was een pre-puber, en wist niet wat te doen met mijn tijd, en voor het eerst in zomers mijn onrust als het om meisjes ging. Dus wat deed ik? Vissen. De hengel was mijn lul. Het moet het jaar 1976 zijn geweest. Het jaar dat ik voor het eerst heet werd van meisjes.

De middag ging zonder serieus beet of zelf vis vangen voorbij. Na een lange periode van onrust makende gedachten haalde ik de hengel op. Met moeite kreeg ik het visdraad naar boven. Zat de haak vast in het kroos en het riet onder water, in de wortel op de bodem? Ik bleef de hengel tillen, totdat de dobber en het lood boven water waren en de haak bijna. En toen zag ik pas wat er loos was: een vis van een kilo of twee kwam boven en liet zich haast willoos door mij naar de wal slepen. Pas de laatste halve meter gaf de vis tegengas, maar toen was het al te laat. Met een visnet kreeg ik de vis aan land en toen mijn handen in het visnet greep en de vis vastpakte, besefte ik wat ik had gevangen. Een zeelt. Een slijmerige vis die op de bodem leeft. Het slijm zat in een centimeter dikke laag op mijn handen. Met moeite pakte ik de vis op, die gelukkig niet tegenstribbelde en zich niet in allerlei bochten wrong, en legde die in het water, waarna de zeelt met een paar slome staartvinslagen in het troebele water verdween. Ik had gevangen zonder mijn best te hebben hoeven doen. Een van die metaforen van mijn leven.

Diezelfde zomer, zo goed als zelfde plek aan de beek, had ik nog een moment, een gebeurtenis dat de start was van mijn liefde voor surrealistische literatuur, film, kunst. Het was wederom een zwoele dag in Zwolle. Mijn jeugd is sowieso vol met warme zomerdagen, vaak zwoel, omdat de lucht rond de IJssel altijd bleef hangen. Als was de rivier rond mijn geboortedorp een barrière, een raam voor het Saksische achterland waartegen de wolken aanhingen, de zwarte donderwolken die uit het westen kwamen opzetten en regen met gewelddadige bliksem, slagregens en beukende onweersklappen het land teisterde.

Voor het zover was, voor de oudtestamentische stortbuien weer eens losbarstten, was ik in het openluchtbad te vinden, of met mijn hengel aan een van de beken in mijn woonwijk. Het was op een van die dagen, dat zwarte onweersvliegjes de naderende ontlading van elektriciteit in de opgewarmde lucht aankondigden. Ik kan mij vergissen, maar zulke dagen met onweersvliegjes beloofden weinig goeds als het hing om het vangen van vis. Ik zat aan het water, veegde om de haverklap het zweet van mijn voorhoofd en staarde naar de dobber die onbeweeglijk op het water stond. Soms bracht een minuscuul vlagje wind wat rimpels in het wateroppervlak, maar meer gebeurde er niet. Iets wat ik mij toen afvroeg, en nu nog steeds afvraag maar dan gaat het niet meer om zaken als hengelen: wanneer geef je op? Wanneer stop je als iets niet lukt? Ik kan lang volhouden. Ook al is het niet meer reëel om te verwachten dat iets nog een succes wordt, ik blijf liever zitten dan dat ik opgeef. Dat was die bewuste middag. En toen zat ik daar maar en keek om mij heen. Iets van verveling overviel mij, maar ik gaf niet op. Toen ook het geraas van het verkeer op de snelweg niet meer te horen was en alle vogels hun snater hielden, toen de zwoelheid piekte, toen gebeurde het.

De kop van een karper kwam ultratraag boven water. De karper was gespierd en op zijn rug had hij diverse littekens van beten. De twee lellen vlees aan zijn lippen hingen licht verdrietig tegen zijn wangen. Hij zag mij zitten, keek mij aan, knipoogde, sneed een seconde als de boeg van een omgekeerde kano het wateroppervlak in tweeën, en verdween majestueus weer onder water om nooit meer gezien te worden door mij.

Het is nu 40 jaar geleden dat die karper boven kwam, maar tot op de dag  van vandaag weet ik niet of die vis er echt was; het moet wel omdat ik toen nog geen psychotische buien had. Die dagen dat ik aan het water zat zijn talloos. De keren dat ik een zeelt ving of een karper boven water zag uitsteken, zijn enig in hun soort. Het is gebeurd zoals ik het heb beschreven, en toch is er altijd twijfel of het wel gebeurd is.

Maakt het uit? Dat ik daar zat op mijn visstoel, met eerst de bamboehengel van opa en later een van mijn zakgeld gekochte telescoophengel, dat is een feit van een vele zomerdagen. De herinnering aan het vissen en vooral die vissen is groots, als een contrapunt van mijn geheugen. Wat achtergebleven gevoel is van de herinnering aan die zomers is? De prettige eenzaamheid van het water. De alleenzaamheid. Het met mezelf weten te rooien omdat ik niet met mijn gedachten bij anderen terecht kon, of wilde. Nooit het gevoel hebben dat ik ergens niet kan zijn met mezelf of dat ik zonder anderen moet leven. De wetenschap, het benul dat ik altijd in en uit mijn comfortzone kon stappen. Dat ik nooit ergens niet thuis zou zijn.

Van alle herinneringen die met water te maken hebben, is dit een van de dierbaarste. Ook al omdat ik na mijn jeugd nauwelijks meer met een vishengel aan het water zat.

Misschien, en dat is de bittere conclusie van een verscheurd Duitsland in de jaren 40 van de 20e eeuw en van een oorlog die zijn vingers tot ver na de capitulatie in ons gezin heeft, komt hier samen wat mij heeft gemaakt, met alle imperfecties: mijn vader had geen vader en wist ook niet, los van een basaal liefdesniveau in zijn ziel, hoe hij vader moest zijn. Hoe hij me moest leren, vissen, of zwemmen, of schaatsen. Ben ik daarmee gedoemd een vader te zijn zonder vader te zijn? En mijn zoon dan?

Schaatsen

In de strenge winter van 1978 / 1979 was water mijn speelkameraad, maar met een verraderlijke twist. Op de vele beken, vijvers en plassen rond mijn geboortestad lag een flinke laag ijs. Niet overal even mooi ijs, eigenlijk zelden van dat zwarte ijs waaronder je de vissen zag hangen in het ijskoude water. Nee, er zaten scheuren in de bevroren waterlaag en op veel plekken lag sneeuw opgehoopt, als gevolg van stormachtige sneeuwbuien. Maar dik was dat ijs wel, en zeker op de smalle beken was het goed zwieren. Ik had vanaf het moment dat ik op het ijs kon staan, zowat dagelijks op mijn noren rond mijn geboortestad geschaatst. Vaak op een vijver in de buurt van mijn huis, maar de mooiste herinneringen zijn die van een heldere avond, met een volle maan en heldere sterren die op het witte landschap kaatsten en die de koude winterwereld lieten oplichten en die schaatsen zonder enige kunstverlichting zoals straatlantaarns mogelijk maakte. Beekjes, slootjes rond de stad, niet ver van de Vecht.

Ik had in de weken van die winter dus vele uren op de schaats doorgebracht. Mijn beenspieren, met name die rond de kuiten en schenen, en de pezen van mijn enkels waren stevig geworden. De koude lucht deed me hoegenaamd weinig, met spijkerbroek, een trui en jas, en een sjaal en handschoenen hield ik het makkelijk uren uit in de buitenlucht.

Er was een plek waar ik niet of nauwelijks kwam om te schaatsen: de Wijde Aa. Dat was een grote plas aan de rand van de stad. Een zandafgraving die volgestroomd was. In de zomer goed voor zwem- en vooral surfplezier (zoals ik in de jaren na die extreme winter veel heb gehad op dat zelfde water), maar ’s winters een plaats om van weg te blijven. De plas vroor bijna nooit dicht. Die winter wel, maar elk kind wist dat je daar beter niet kon komen. Dun ijs, onbetrouwbaar ijs.

Toch, ik moest er even kijken. De reden was simpel: ik had alle beken en plassen in de buurt al gehad. En ik had nog niet genoeg van het glijden op millimeterdunne ijzers op centimeterdik ijs. Verder moest ik dan waar ik was geweest. Ik schaatste naar de Wijde Aa op een van de beken die afwaterden op die plas. Februari was half voorbij en die dag dat ik zou merken dat ik een nieuwe ervaring zou krijgen, stond op veel plekken al dooiwater op het ijs. Nergens kraakte het, dus gevaarlijk was het niet. In mijn eentje gleed ik over het ijs, hier en daar met een ijzer in een scheur wegzakkend. Op een of twee keer na ging ik niet onderuit. De kale bomen van het park AA-landen, zeer creatief vernoemd naar het beekje dat tussen de bomen en oevers stroomt, hingen moedeloos in de waterkoude lucht te wachten op de lente. Het park kwam aan zijn eind toen ik anderhalve kilometer had afgelegd. En daar was de grote plas. Geheel met ijs bedekt, onder een grauwe lucht, onder bewolking die nog meer dooi aankondigde. Ik had nog niet genoeg, ik moest verder. Aan de rand van de plas stonden hier en daar kinderen en volwassen, op het ijs waren niet zoveel mensen. Als er al schaatsers waren, dan dicht bij de oever.

Jeugdige overmoed, dat zal wel geweest zijn. Ik zwierde, ik ging op weg naar het midden van de plas, maar voor ik meer dan 25 meter van de kant was, zakte ik door het ijs. Dit was geen ‘doorschaatsbare’ plaats. Ik schrok niet eens, het ijs opende zich onder mijn jonge benen. Daaronder was geen plek om te staan, het water ging nog meters verder door tot het de bodem aaide. Geen doorwaadbare plaats, alleen maar ijskoud water dat om mijn benen, en niet veel later mij romp sloot. Ik viel met mijn armen en handen op het ijs, maar hield mijn hoofd omhoog. Ik schrok toen pas, pas toen ik 9/10 onder water was. Ik schreeuwde een keer, zonder echt te weten wat ik riep. Mijn benen deden een slag, ik kwam een decimeter uit het water, mijn armen en handen grepen vooruit, maar ook daar voor mij waar mijn handen grepen, daar brokkelde het ijs af. Na vier of vijf van die pogingen werd ik moe. Toen hoorde ik een stem. Van een engel. Op de wal stond een vrouw van rond de 35, en misschien ouder en misschien jonger, maar hier laat mijn eigen breincomputer mij in de steek. Zij riep mij dat ik het touw dat ze op het ijs had gegooid (het touw van een surfplank, zag ik later) moest grijpen. Ik greep en beetje bij beetje kwam ik naar de kant. Binnen luttele seconden was ik in haar huis, dat aan de plas grensde. Ze zette me onder de warme douche en liet me op temperatuur komen.

Het rare: daar houdt mijn herinnering op. Ik weet niet meer wat er gebeurde toen ik was opgedroogd en opgewarmd. Welke kleren ik vervolgens aan had (niet de koude kleren van mijzelf). Hoe ik thuis ben gekomen. Of ik die vrouw ooit nog weer gezien heb.

Niet alles in het brein is een doorwaadbare plaats. Je kunt herinneringen oproepen die je van a naar b of c brengen, maar soms heb je alleen plek a, en daar houdt de herinnering op. Wat er verder die onfortuinlijke middag op en vooral door het ijs is gebeurd, het is weg. Een plek a. Feit is: ik werd gered. Het water heeft me niet omsloten. Ik kwam weer aan bij de wal. Ik vermoed dat ik het verhaal van Mozes bij de Rode zee, hoe weinig gelovig ik ook ben, niet alleen mooi vind om de menselijke fantasie, illusie, zinsbedrog, ja, waan zelfs, maar ook omdat ik waters nooit bedreigend heb gevonden. Er valt altijd wel een plek te vinden waar je er door kunt. Niet alleen als metafoor, maar ook als werkelijkheid. Wie wil kan altijd de overkant of, in het geval van door het ijs zakken, de wal bereiken.