Stromen

Stille wateren hebben diepe gronden.

Rivieren kun je maar één keer oversteken.

Filosofische bespiegelingen in gezegden die vooral leuk zijn om over na te denken en om je gedachten te vormen.

Bij een rivier gaat het uiteindelijk om nog veel meer. Het gaat om meditatie. Om zen. Om het verdwaald raken in de gedachten die de golfjes en de draaikolkjes in de rivier oproepen. Om in die golfjes de relativiteit van het bestaan te ondergaan.

De eerste beekjes van mijn jeugdherinneringen zijn niet eens stromen in de buurt van de doorwaadbare plaats. Nee, ik ging met mijn ouders en broer naar Gerlos, in de alpen van Oostenrijk. Niet ver van het Zillertal betrokken wij twee jaar op rij een pension en beklommen de bergen rondom. Ik herinner mij van die twee zomers weinig meer dan dammetjes bouwen in de beekjes rond Gerlos. Ik moet zeggen, een goede herinnering. Ik bouw nog steeds graag dammetjes.

Hoe oud was ik toen? Jaar of 8. Ik moet ook een jaar of 8 geweest zijn dat ik voor het eerst de stromen van mijn geboortegrond actief ging onderzoeken. Wij woonden destijds aan de rand van de stad, en ik was met een paar minuten lopen of fietsen in de weilanden en polders. Die werden ingesloten door drie stromende wateren: De Vecht, De IJssel, en Het Zwarte Water. Ik heb nog steeds een zwak voor die omgeving. De dijken zijn de enige verhoging in de wijde omgeving. En die omgeving is zeer wijd. Maar nog mooier dan die weidsheid van het land is de haast onbeperkte hemel. Als je op een dijk staat, en je kijkt 360 graden om je heen, dan zal onherroepelijk opvallen dat het land maar een 1/6 deel van je blikveld is. Meer dan land is het de lucht, de hemel die je ziet.

Niet dat ik dat toen al zag, want als 8-jarige was ik bezig met het struinen door de weilanden (ook in de winter; zie Waterrest). Ik moest letten op koeien en stieren in de weilanden, en tussen die weilanden lagen sloten. Aangezien wij niet deden aan poolstokken, was het zaak met sprongen over de sloten te komen. Slootje springen was niet iets wat we alleen deden in de zomer. In de herfst, in de winter, in de lente, in weekenden en vakanties.

Dat springen over stromende wateren was voorbehouden aan sloten. Beken als de Aa waren te breed, en de rivieren waren al helemaal niet geschikt om overheen te springen.

Die rivieren namen sowieso een aparte en parate positie in. Anders dan sloten die eens in de zoveel tijd uitdroogden, of bevroren, waren de rivieren nooit anders dan rivieren. Ik heb in mijn leven niet meegemaakt dat de rivier zo dicht gevroren was dat je van de ene oever naar de andere oever kon lopen en kon schaatsen. De rivier, dat betekende stromen. Steeds weer een nieuwe golf, een bergje water, draaikolkjes die bij de kribben verschenen en zo snel ze kwamen weer verdwenen.

Eigenlijk heb ik het dan over de IJssel. Dat is met recht een rivier. Het is min of meer ook het water waaraan de doorwaadbare plaats ontstaan is, waar een nederzetting ontstond die later mijn geboorteplek zou zijn. De plek, die hoger is dan destijds het moerassige landschap tussen de drie rivieren van IJssel – Vecht – Zwarte water, was ideaal voor een nederzetting. Al 1000-en jaren voor de plek in de annalen en oorkondes werd bijgeschreven (onder andere vanwege stadsrechten en vermeldingen van kloosters en kerken) woonden hier mensen. Niet alleen om die verhoogde plek in het moeras, voor mij een symbolische aanduiding van mijzelf, maar ook vanwege de rivier zelf: het aan en afvoeren van goederen naar andere (hanze)steden in de buurt, maar ook naar Noordzee en Oostzee via Zuiderzee.

De IJssel slingert traag door het lage land van polders, vlak langs de Veluwe die de IJssel noordwaarts geleidt. Om van de stad naar de overkant van de rivier te komen is er sinds lange tijd een brug. De weg Zwolle uit, westwaarts, was tot ver in de jaren 60, dus toen ik al geboren was, over die Katerveerbrug. Over de rivier. Over die brug kon ik bij mijn Nederlandse opa en oma komen. In de loop van mijn leven werd de A28 geopend en daarmee verdween de drukte en de verkeersdruk. Vanaf dat moment kon ik ook fietsen en fietste ik veel keren over de dijk naar het noorden, zoals naar Zalk (de westelijke dijk), of langs het Engelse werk (naar het zuiden, oostelijke dijk). In de zomer een prettige bezigheid, in de herfst en winter was het op de dijk onguur, omdat het omliggende land enorm plat is, en je leek steeds wind tegen te hebben. Heen en terug.

De rust die het fietsen over de slingerende dijk gaf, was fenomenaal. De eenzaamheid, de verre en weidse blikken, en vooral ook het vertrek uit dat sudderende, archaïsche dorp.

Het laatste jaar dat ik vaak op de dijk te vinden was, was toen ik in een Hanzestad ten zuiden van de doorwaadbare plaats ging studeren. Ik nam, toen ik nog niet op kamers woonde, meestal de bus naar die andere Hanzestad en die bus reed voor een deel over de dijk. Maar die rivier bleef, met de uiterwaarden en de dijken, een rustpunt.

Het gekke is: de andere twee stromende wateren, Vecht en Zwarte water, heb ik in mijn jeugd wel gezien, maar ik was nooit met plezier daar. Zou het zijn omdat V en ZW kleinere rivieren zijn, of kwam ik daar minder omdat in die buurt geen vrienden woonden, of familie?

De Vecht was een onbekende rivier en vaak een plek om heen te fietsen als ik vol verdriet en onbegrip zat. Als ik weer eens niets van mijzelf snapte, of als mijn ouders weer eens veel met zichzelf bezig waren en met vrienden, en ik mij volslagen onbegrepen voelde (zie ook het verhaal Regenen). Twee keer ben ik in mijn jeugd bij die rivier geweest, beide keren op weg naar Ommen om daar op een camping te staan. Verder zal ik vaker moeten zijn geweest, maar die tijd lijkt bewust gaten te hebben achtergelaten in de herinnering.

Het zwarte water is mij zelfs geen rivier, maar een verbindingswater. Een die de doorwaadbare plaats en de Vecht met het IJsselmeer verbindt.

Misschien meer op afstand, omdat ze feitelijk niet in de buurt van mijn geboortestek liggen, zijn rivieren in Duitsland. In de jaren dat ik in het Sauerland op vakantie ging, zijn watertjes als Sieg, Eder en Lahn erg bepalend geweest. Veel van mijn vakantieherinneringen spelen zich af in de buurt van die riviertjes (zoals o.a. het stuwmeer Edersee en de bronnen van die riviertjes).

De belangrijkste van die Duitse rivieren is wel de Rijn bij Frankfurt. Mijn familie komt uit die omgeving, ten oosten van de rivier en ten zuiden van de stad. Eigenlijk kwamen wij elk jaar wel aan de Rijn, en dan meestal in Nierstein, een dorp waar elk jaar begin augustus het Winzerfest wordt gehouden. Een feest in het dorp en op de kades langs de Rijn. Eten, drinken, vertier, en altijd met goed weer. En dan de Rijn, de rustige rivier, kalm kabbelend langs de kade.

En misschien het beste van de Rijn bij Nierstein: het pontje! De bruggen over de Rijn zijn daar niet in de buurt. Naar het noorden bij Mainz, 20 kilometer verderop. Naar het zuiden bij Worms, 30 kilometer verderop. Om van het Ried (waar mijn oma woonde) over de Rijn te komen, nam mijn vader het pontje. Wat een feest! Met de auto de pont op, een man die met zijn kaartjesmachine voor de buik bij de auto kwam, twee minuten varen: de herinnering is nog mooier de werkelijkheid ooit kan zijn geweest.

Rivierstromen. Ze zijn geen grenzen maar overbrugbare wateren. Wateren die eveneens het vermogen hebben je weg te voeren naar andere streken.

Stromen die je zen maken.

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

w

Verbinden met %s