Vissen

Mijn vader zaliger was een man uit Duitsland. Geboren ergens uit het zuidelijke deel van Hessen, dat net onder het noord-zuid-midden van het land ligt. Voor wie het interesseert: ga van Bastenaken naar het oosten en van Zurich naar het noorden en waar die twee lijnen kruisen, voila: Gross-Gerau. De hoofdstad van een Kreis. Vandaar dat als ik ergens een auto zie met een Duits nummerbord dat met GG begint, mijn hart altijd een huppelsprongetje maakt. Dat is voor mij even terug naar mijn jeugd, naar reizen naar mijn Duitse oma, de moeder van mijn vader.

Om een idee te geven wat voor stadje Gross-Gerau is: het ligt in een gebied ten oosten van de Rijn. Rijke grond, waarin vooral asperges worden verbouwd. Dit deel van Duitsland wordt ook wel het Hessische Ried genoemd. Moerassig gebied geweest, met veel riet en modder. Heel vlak ook, waardoor je in de verte, in het westen, de heuvels langs de Rijn kunt zien en even ver weg, in het zuidoosten, het Odenwald.

Mijn vader werd geboren in een tijd dat er op geboorteaktes een hakenkruis stond. Zijn eigen vader was in de Duitse Wehrmacht, lid van een fietspatrouille. Zijn moeder, mijn oma die ik wel gekend heb, had toen de oorlog voorbij vier kinderen Haar man was verdwenen (weggebombardeerd in vermoedelijk 1944 terwijl hij vrolijk lachend met zijn oude kameraden door de omgeving van GG fietste, misschien wel op een gestolen rijwiel uit Nederland). De stad lag in puin en as. Hier en daar staan in de stad nog vakwerkhuizen (zie de foto), maar het meeste is van na de oorlog.

Groß-Gerau_1

De plek en tijd zijn van belang. Mijn vader heeft me, zo weinig als hij ook van zijn jeugd bloot gaf, wel eens wat verteld over de jaren na de oorlog. Met de vele speelplekken, met veel ontplofte granaten (hij is zo menig vriendje kwijtgeraakt…), met veel tijd, want scholen moesten nog worden opgestart, en geen vader die riep dat hij binnen moest komen: alle kans om de wereld te verkennen. Voeg daar aan toe: het vele water in de buurt, van de Rijn tot kleine plassen en beken. Hij was dus bekend met water en veel tijd.

Maar: heb ik van hem leren vissen? Nee.

Ik heb leren vissen van mijn Nederlandse opa. Hij heeft me mijn eerste hengel gegeven; een van bamboe, inclusief lijn, dobber, lood en haak. Niet mijn vader. Hem, uit wiens zaad ik direct voort spruit, herinner ik mij niet als iemand die mij zaken geleerd heeft. Als iemand van wie ik het begrip liefde heb geërfd. Van wie ik meer was dan het product van zijn sperma en mijn moeders ei. Voor mijn vader was het leven volgens mij vooral overleven. Ik heb dat overleven een beetje geërfd, maar geleerd heb ik voor mijn gevoel weinig van hem. De meeste dingen die hij, een elektricien, mij leerde waren hoe je kabels moest verbinden.

Vissen, nee, dat niet.

Waar ik viste? Juist. In dezelfde beken waarop ik schaatste.

In de zomers van mijn lagere-school-jeugd was ik vaak aan die beken te vinden. Op een middag in juli , terwijl de zon af en toe schuil ging achter zweterige wolken die de kletsnatte middaglucht op de aarde drukten, zat ik aan het water met mijn hengel. De beken van de AA-landen zijn op veel plekken niet veel breder dan een meter of 3, en zo goed als overal doorwaadbaar, zodat een hengel al snel de overkant haalt, en de haak en het lood al snel de bodem raakt. Ik zat op mijn visstoeltje te staren naar de dobber die op het spiegelgladde water niet van zijn plek ging. Aan de haak hing een klont wit brood. Af en toe trok een vis zacht aan het brood en dan verschenen rond de dobber kringen in het verder rimpelloze water. Ik verzonk in gedachten over ik weet nu niet meer wat. Meisjes? Zelfbevrediging? Seks? Roken? Zwemmen in het openluchtbad met meisjes en hun ontluikende borsten? Ik was geen kind meer, ik was een pre-puber, en wist niet wat te doen met mijn tijd, en voor het eerst in zomers mijn onrust als het om meisjes ging. Dus wat deed ik? Vissen. De hengel was mijn lul. Het moet het jaar 1976 zijn geweest. Het jaar dat ik voor het eerst heet werd van meisjes.

De middag ging zonder serieus beet of zelf vis vangen voorbij. Na een lange periode van onrust makende gedachten haalde ik de hengel op. Met moeite kreeg ik het visdraad naar boven. Zat de haak vast in het kroos en het riet onder water, in de wortel op de bodem? Ik bleef de hengel tillen, totdat de dobber en het lood boven water waren en de haak bijna. En toen zag ik pas wat er loos was: een vis van een kilo of twee kwam boven en liet zich haast willoos door mij naar de wal slepen. Pas de laatste halve meter gaf de vis tegengas, maar toen was het al te laat. Met een visnet kreeg ik de vis aan land en toen mijn handen in het visnet greep en de vis vastpakte, besefte ik wat ik had gevangen. Een zeelt. Een slijmerige vis die op de bodem leeft. Het slijm zat in een centimeter dikke laag op mijn handen. Met moeite pakte ik de vis op, die gelukkig niet tegenstribbelde en zich niet in allerlei bochten wrong, en legde die in het water, waarna de zeelt met een paar slome staartvinslagen in het troebele water verdween. Ik had gevangen zonder mijn best te hebben hoeven doen. Een van die metaforen van mijn leven.

Diezelfde zomer, zo goed als zelfde plek aan de beek, had ik nog een moment, een gebeurtenis dat de start was van mijn liefde voor surrealistische literatuur, film, kunst. Het was wederom een zwoele dag in Zwolle. Mijn jeugd is sowieso vol met warme zomerdagen, vaak zwoel, omdat de lucht rond de IJssel altijd bleef hangen. Als was de rivier rond mijn geboortedorp een barrière, een raam voor het Saksische achterland waartegen de wolken aanhingen, de zwarte donderwolken die uit het westen kwamen opzetten en regen met gewelddadige bliksem, slagregens en beukende onweersklappen het land teisterde.

Voor het zover was, voor de oudtestamentische stortbuien weer eens losbarstten, was ik in het openluchtbad te vinden, of met mijn hengel aan een van de beken in mijn woonwijk. Het was op een van die dagen, dat zwarte onweersvliegjes de naderende ontlading van elektriciteit in de opgewarmde lucht aankondigden. Ik kan mij vergissen, maar zulke dagen met onweersvliegjes beloofden weinig goeds als het hing om het vangen van vis. Ik zat aan het water, veegde om de haverklap het zweet van mijn voorhoofd en staarde naar de dobber die onbeweeglijk op het water stond. Soms bracht een minuscuul vlagje wind wat rimpels in het wateroppervlak, maar meer gebeurde er niet. Iets wat ik mij toen afvroeg, en nu nog steeds afvraag maar dan gaat het niet meer om zaken als hengelen: wanneer geef je op? Wanneer stop je als iets niet lukt? Ik kan lang volhouden. Ook al is het niet meer reëel om te verwachten dat iets nog een succes wordt, ik blijf liever zitten dan dat ik opgeef. Dat was die bewuste middag. En toen zat ik daar maar en keek om mij heen. Iets van verveling overviel mij, maar ik gaf niet op. Toen ook het geraas van het verkeer op de snelweg niet meer te horen was en alle vogels hun snater hielden, toen de zwoelheid piekte, toen gebeurde het.

De kop van een karper kwam ultratraag boven water. De karper was gespierd en op zijn rug had hij diverse littekens van beten. De twee lellen vlees aan zijn lippen hingen licht verdrietig tegen zijn wangen. Hij zag mij zitten, keek mij aan, knipoogde, sneed een seconde als de boeg van een omgekeerde kano het wateroppervlak in tweeën, en verdween majestueus weer onder water om nooit meer gezien te worden door mij.

Het is nu 40 jaar geleden dat die karper boven kwam, maar tot op de dag  van vandaag weet ik niet of die vis er echt was; het moet wel omdat ik toen nog geen psychotische buien had. Die dagen dat ik aan het water zat zijn talloos. De keren dat ik een zeelt ving of een karper boven water zag uitsteken, zijn enig in hun soort. Het is gebeurd zoals ik het heb beschreven, en toch is er altijd twijfel of het wel gebeurd is.

Maakt het uit? Dat ik daar zat op mijn visstoel, met eerst de bamboehengel van opa en later een van mijn zakgeld gekochte telescoophengel, dat is een feit van een vele zomerdagen. De herinnering aan het vissen en vooral die vissen is groots, als een contrapunt van mijn geheugen. Wat achtergebleven gevoel is van de herinnering aan die zomers is? De prettige eenzaamheid van het water. De alleenzaamheid. Het met mezelf weten te rooien omdat ik niet met mijn gedachten bij anderen terecht kon, of wilde. Nooit het gevoel hebben dat ik ergens niet kan zijn met mezelf of dat ik zonder anderen moet leven. De wetenschap, het benul dat ik altijd in en uit mijn comfortzone kon stappen. Dat ik nooit ergens niet thuis zou zijn.

Van alle herinneringen die met water te maken hebben, is dit een van de dierbaarste. Ook al omdat ik na mijn jeugd nauwelijks meer met een vishengel aan het water zat.

Misschien, en dat is de bittere conclusie van een verscheurd Duitsland in de jaren 40 van de 20e eeuw en van een oorlog die zijn vingers tot ver na de capitulatie in ons gezin heeft, komt hier samen wat mij heeft gemaakt, met alle imperfecties: mijn vader had geen vader en wist ook niet, los van een basaal liefdesniveau in zijn ziel, hoe hij vader moest zijn. Hoe hij me moest leren, vissen, of zwemmen, of schaatsen. Ben ik daarmee gedoemd een vader te zijn zonder vader te zijn? En mijn zoon dan?

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

w

Verbinden met %s